De Rome I-Verordening bepaalt welk recht van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken waarin uit het recht van verschillende landen moet worden gekozen. De regels kunnen daarbij ook leiden tot toepasselijkheid van het recht van een land buiten de Europese Unie. De Rome I-Verordening geldt in alle EU-lidstaten behalve Denemarken.
Het uitgangspunt staat in artikel 3 Rome I: partijen mogen in beginsel zelf bepalen welk recht op de overeenkomst van toepassing is. Die rechtskeuze moet uitdrukkelijk zijn gedaan of duidelijk blijken uit de bepalingen van de overeenkomst of de omstandigheden van het geval.
Als partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt, bepaalt artikel 4 Rome I welk recht in beginsel op de overeenkomst van toepassing is. Voor een aantal veelvoorkomende overeenkomsten geldt het volgende:
Bij vennootschappen, verenigingen of rechtspersonen wordt voor de gewone verblijfplaats in beginsel gekeken naar de plaats van het hoofdbestuur. Onder omstandigheden kan een andere vestiging, filiaal of agentschap bepalend zijn.
Deze regels gelden niet voor ieder type overeenkomst. De Rome I-Verordening bevat bijvoorbeeld afzonderlijke bepalingen voor vervoersovereenkomsten, consumentenovereenkomsten, verzekeringsovereenkomsten en individuele arbeidsovereenkomsten. Daarvoor gelden de bijzondere verwijzingsregels van respectievelijk de artikelen 5 tot en met 8 Rome I.
Niet iedere internationale overeenkomst past binnen één van de categorieën van artikel 4 lid 1. Ook kan een contract elementen van meerdere soorten overeenkomsten bevatten. In beide gevallen bepaalt artikel 4 lid 2 Rome I dat het recht van toepassing is van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie verricht, haar gewone verblijfplaats heeft.
De kenmerkende prestatie is kort gezegd de prestatie die het type overeenkomst karakteriseert. De betaling van geld vormt meestal niet de kenmerkende prestatie. Het gaat juist om de prestatie die daartegenover staat. Bij een overeenkomst met verschillende verplichtingen kan de kwalificatie lastiger zijn. Dan moet worden onderzocht welke prestatie de overeenkomst als geheel kenmerkt. Het etiket dat partijen zelf op hun contract plakken, geeft daarbij niet altijd de doorslag.
De Rome I-Verordening bevat geen afzonderlijke verwijzingsregel voor agentuurovereenkomsten. Afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst kan een agentuurovereenkomst als dienstverlening worden aangemerkt. Anders kan artikel 4 lid 2 uitkomst bieden. Daarbij zal doorgaans de handelsagent de kenmerkende prestatie verrichten.
De hiervoor genoemde regels zijn niet absoluut. Artikel 4 lid 3 Rome I bevat een uitzonderingsregel. Blijkt uit alle omstandigheden dat de overeenkomst kennelijk nauwer verbonden is met een ander land dan het land dat uit de hoofdregel volgt? Dan geldt het recht van dat andere land.
Het woord “kennelijk” is belangrijk. Het gaat niet om een vrije afweging waarbij ieder aanknopingspunt de hoofdregel opzij kan zetten. Er moet een duidelijk nauwere band met een ander land bestaan.
Kan het toepasselijke recht helemaal niet worden vastgesteld via artikel 4 lid 1 of lid 2? Dan bepaalt artikel 4 lid 4 dat het recht geldt van het land waarmee de overeenkomst het nauwst verbonden is.
Bij internationale koopovereenkomsten moet daarnaast rekening worden gehouden met het Weens Koopverdrag, ook wel het CISG genoemd. Dit verdrag bevat uniforme regels voor internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken.
Het CISG kan rechtstreeks van toepassing zijn wanneer partijen gevestigd zijn in verschillende staten die partij zijn bij het verdrag. Daarnaast kan het CISG in bepaalde gevallen van toepassing worden doordat de regels van internationaal privaatrecht verwijzen naar het recht van een verdragsstaat.
De vraag welk nationaal recht volgens de Rome I-Verordening van toepassing is en de vraag of het CISG geldt, zijn daarom niet hetzelfde. Ze hangen wel met elkaar samen. Wanneer bijvoorbeeld Nederlands recht van toepassing is op een internationale koop die binnen het toepassingsgebied van het CISG valt, kan het CISG van toepassing zijn.
Partijen kunnen de toepasselijkheid van het CISG uitsluiten. Wie in een internationale overeenkomst alleen opneemt dat “Nederlands recht” geldt, heeft het CISG daarmee dus niet zonder meer uitgesloten. Meer over de toepasselijkheid en uitsluiting van het Weens Koopverdrag lees je in onze blog Het Weens Koopverdrag bij internationaal contracteren.
Een rechtskeuze bepaalt welk recht op de overeenkomst van toepassing is. Een forumkeuze bepaalt welke rechter een eventueel geschil mag behandelen. Dat Nederlands recht van toepassing is, betekent niet automatisch dat de Nederlandse rechter bevoegd is, en andersom. De Nederlandse rechter kan op grond van de Rome I-Verordening tot de conclusie komen dat bijvoorbeeld Duits, Frans of Belgisch recht de overeenkomst beheerst. Het is daarom verstandig om bij internationaal contracteren beide onderwerpen afzonderlijk te regelen.
De regels van de Rome I-Verordening zorgen ervoor dat ook zonder rechtskeuze kan worden vastgesteld welk recht geldt. Toch is het meestal verstandig om niet op die vangnetregels te vertrouwen.
Een expliciete rechtskeuze geeft partijen vooraf duidelijkheid. Dat is relevant omdat nationale rechtsstelsels op belangrijke punten van elkaar verschillen. Denk aan de uitleg en beëindiging van overeenkomsten, aansprakelijkheid, schadevergoeding, verjaring en de werking van algemene voorwaarden.
Bovendien kan discussie ontstaan over de kwalificatie van een overeenkomst. Is een contract bijvoorbeeld vooral een koopovereenkomst, een dienstverleningsovereenkomst of een gemengde overeenkomst? Die kwalificatie kan invloed hebben op het toepasselijke recht.
Een rechtskeuze neemt bovendien niet alle uitzonderingen weg. Zo kunnen bepaalde dwingende regels onder omstandigheden toch van toepassing blijven. Wel verkleint een rechtskeuze de kans op een kostbare discussie over de vraag welk recht het contract beheerst.
Het ontbreken van een rechtskeuze betekent niet dat op een internationaal contract geen recht van toepassing is. Als partijen niets hebben afgesproken, bepaalt de Rome I-Verordening welk nationaal recht de overeenkomst beheerst. Welke regel geldt, hangt onder meer af van het type overeenkomst en van de partij die de kenmerkende prestatie verricht.
De uitkomst kan anders zijn dan partijen vooraf verwachten. Daarom is het bij internationaal contracteren verstandig om expliciet vast te leggen welk recht op de overeenkomst van toepassing is. Daarmee verkleinen partijen de kans op discussie en onzekerheid als later een geschil ontstaat.
Vragen over het toepasselijke recht bij internationale contracten of over het maken van een rechtskeuze? Neem gerust contact met ons op. Wij denken graag mee over internationaal contracteren, de keuze voor het toepasselijke recht en een passende forumkeuze.
Deze blog is uitsluitend informatief van aard en vervangt geen advies op maat. Neem voor uw specifieke situatie altijd contact op met een advocaat.