Schuldigerkenningen komen steeds vaker voor in Nederland. Vaak is de gedachte achter een schuldigerkenning om vermogen alvast aan de volgende generatie over te dragen zonder dat het geld daadwerkelijk hoeft te worden uitgekeerd. Dit kan fiscale voordelen opleveren, met name voor de erfbelasting. Daarnaast kan de schuldigerkenning gevolgen hebben voor box 3. Daar staat tegenover dat jaarlijks rente moet worden betaald aan de begunstigde om het beoogde fiscale voordeel voor de erfbelasting te behouden. Dit brengt een aantal complicaties met zich mee, met name wanneer de rente niet meer kan worden voldaan door onvoldoende banktegoeden.
Een schuldigerkenning is een mechanisme om iets te schenken zonder dat de schenker het geschonken bedrag direct hoeft uit te betalen. Dit zorgt ervoor dat de schenker een schuld krijgt aan de begunstigde en de begunstigde een corresponderende vordering op de schenker. Een dergelijke schenking wordt ook wel een schenking op papier of schuldigerkenning uit vrijgevigheid genoemd.
Dit kan op verschillende manieren worden vormgegeven, maar een veelvoorkomende vorm is een schuldigerkenning waarbij de hoofdsom pas bij overlijden opeisbaar wordt en de schenker jaarlijks rente aan de begunstigde betaalt. Als de schenking pas na het overlijden van de schenker zal worden uitgevoerd, moet zij op grond van artikel 7:177 lid 1 BW in beginsel in een notariële akte zijn vastgelegd om bij overlijden in stand te blijven.
De schuldigerkenning heeft daarnaast gevolgen voor box 3. Op grond van artikel 5.3 Wet inkomstenbelasting 2001 wordt de rendementsgrondslag gevormd door de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden. De schenker kan de schuld uit hoofde van een geldige schuldigerkenning daarom in beginsel als schuld in box 3 aangeven. Daartegenover staat dat de begunstigde de corresponderende vordering in beginsel als bezitting in box 3 moet aangeven.
Voor het voordeel in de erfbelasting speelt de rentebetaling een belangrijke rol. Op grond van artikel 10 lid 3 Successiewet 1956 moet jaarlijks daadwerkelijk een vergoeding van ten minste 6% over het schuldig erkende bedrag worden betaald om te voorkomen dat het bedrag bij overlijden alsnog op grond van artikel 10 Successiewet 1956 als fictieve erfrechtelijke verkrijging wordt belast.
De keerzijde hiervan is dat de schenker deze rente daadwerkelijk moet betalen. Als wordt uitgegaan van een schuldigerkenning van € 200.000 en een rente van 6%, moet jaarlijks € 12.000 aan rente worden betaald. Dat is misschien geen probleem wanneer voldoende liquide vermogen aanwezig is, maar een groot deel van het vermogen van veel Nederlanders zit in de eigen woning. Als de schenker nog lange tijd leeft, kan de totale rentelast daardoor flink oplopen. Dit wordt problematisch als de banktegoeden opraken en de schenker de woning niet wil verkopen.
Afhankelijk van de wijze waarop de schuldigerkenning is vormgegeven en de afspraken over de opeisbaarheid van de rente, kan de verplichting tot rentebetaling een concreet en afdwingbaar recht opleveren. Vaak is bepaald dat de rente jaarlijks, bijvoorbeeld op 31 december, opeisbaar wordt. Opeisbaarheid houdt in dat de begunstigde betaling van de rente in beginsel rechtens kan afdwingen.
Wij zien in de praktijk dat deze mogelijkheid vaak niet wordt benut. Het zou immers betekenen dat de begunstigde de schenker, vaak een ouder, tot betaling moet aanspreken en in het uiterste geval in een procedure moet betrekken. Dat rente niet altijd overeenkomstig de afspraken in de schuldigerkenning wordt voldaan, komt dan ook regelmatig voor.
Als de begunstigde ervoor kiest om de rente niet op te eisen, gaat verjaring een belangrijke rol spelen. Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis in beginsel vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Voor iedere afzonderlijke rentetermijn gaat in beginsel een eigen verjaringstermijn lopen. Als bijvoorbeeld gedurende vele jaren geen rente is betaald of opgeëist, kunnen oudere rentevorderingen inmiddels zijn verjaard.
Daarom is het van belang de verjaring tijdig te stuiten. Op grond van artikel 3:317 lid 1 BW kan dit onder meer door een schriftelijke aanmaning of mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Na een geldige stuiting begint op grond van artikel 3:319 BW in beginsel een nieuwe verjaringstermijn te lopen.
Dit kan bijvoorbeeld door middel van een stuitingsbrief. Daarin geeft de begunstigde, als schuldeiser, duidelijk aan dat hij of zij aanspraak blijft maken op betaling van de betreffende rentevordering. Het is daarbij belangrijk om rekening te houden met de verschillende rentetermijnen en de daarvoor geldende verjaringstermijnen. Wordt de verjaring niet tijdig gestuit, dan kan de mogelijkheid om betaling rechtens af te dwingen verloren gaan. Dat kan met name relevant worden als de relatie met de schenker verslechtert of wanneer de schenker overlijdt en de vordering bij de afwikkeling van de nalatenschap moet worden betrokken.
Het is daarom belangrijk om bij dergelijke kwesties zorgvuldig te werk te gaan. Vaak bevindt de begunstigde zich in een lastige positie tussen het behoud van de persoonlijke verhouding met de schenker en het veiligstellen van zijn of haar juridische aanspraken. Het kan daarom verstandig zijn om hierover tijdig met een erfrechtadvocaat te overleggen.
Een veelvoorkomende vraag is welke invloed een schuldigerkenning heeft op de legitieme portie. Een schuldigerkenning uit vrijgevigheid is juridisch een schenking waarbij de begunstigde een vorderingsrecht verkrijgt zonder dat de schenker het bedrag direct uitbetaalt. De schenking vindt dus niet pas plaats bij de uiteindelijke aflossing van de schuld.
Voor de berekening van de legitieme portie wordt op grond van artikel 4:65 BW uitgegaan van de waarde van de goederen van de nalatenschap, vermeerderd met de daarvoor in aanmerking te nemen giften en verminderd met bepaalde schulden. Welke giften bij deze berekening worden betrokken, wordt nader geregeld in artikel 4:67 BW.
Bij een schuldigerkenning die ertoe strekt dat het geschonken voordeel pas na het overlijden van de schenker ten volle wordt genoten, kan in het bijzonder artikel 4:67 onder c BW van belang zijn. Dergelijke giften worden bij de berekening van de legitieme portie in aanmerking genomen. Voor de waardering van dergelijke giften bevat artikel 4:66 lid 2 BW een bijzondere regeling. Een schuldigerkenning kan daarom wel degelijk invloed hebben op de legitimaire massa, ook wanneer de hoofdsom tijdens het leven van de schenker nog niet is afgelost.
De jaarlijks verschuldigde rente moet daarvan worden onderscheiden. Een reguliere rentebetaling ter nakoming van een daadwerkelijk bestaande renteverplichting is in beginsel geen afzonderlijke schenking. Onder bijzondere omstandigheden kan dit anders liggen, bijvoorbeeld wanneer de overeengekomen vergoeding geheel of gedeeltelijk een bevoordelingskarakter heeft. Ook artikel 4:67 onder a BW kan relevant worden wanneer sprake is van een gift die kennelijk is gedaan en aanvaard met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld. Of daarvan sprake is, moet aan de hand van de concrete omstandigheden worden beoordeeld.
Doordat steeds meer mensen te maken krijgen met schuldigerkenningen waarbij de rente niet steeds overeenkomstig de gemaakte afspraken wordt voldaan, is het van belang inzicht te hebben in de juridische en fiscale gevolgen daarvan. Daarbij spelen verschillende onderwerpen naast elkaar, waaronder de afdwingbaarheid en verjaring van rentevorderingen, de gevolgen voor box 3, de erfbelasting en de eventuele invloed op de legitieme portie.
Vaak gaat het om aanzienlijke bedragen, waardoor het de moeite waard is om tijdig te onderzoeken welke rechten en verplichtingen uit de schuldigerkenning voortvloeien. Heeft u vragen over een schuldigerkenning of wenst u actie te ondernemen? Neem dan contact op met een van onze erfrechtadvocaten.
Meer lezen over nalatenschappen? Lees dan ook ons artikel over de boedelbeschrijving in de nalatenschap.