115 jaar ervaring in de advocatuur

Inleiding

In een arrest van 29 mei 2026 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de waardering van voorwaardelijke erfdelen bij een tweetrapsmaking. Een tweetrapsmaking is een testamentaire constructie waarbij een erflater een erfdeel toebedeelt aan een eerste erfgenaam (de bezwaarde) onder een ontbindende voorwaarde en bepaalt dat het erfdeel bij vervulling van de voorwaarde overgaat op een tweede erfgenaam (de verwachter). Tot de uitspraak van de Hoge Raad bestond in de rechtspraktijk onduidelijkheid over twee aspecten: (i) of de bezwaarde wel erfgenaam wordt indien de ontbindende voorwaarde al is vervuld bij het overlijden en (ii) hoe het voorwaardelijke erfdeel moet worden gewaardeerd voor de berekening van de legitieme portie.

Feiten en procesverloop

De erflater had in 2016 een testament opgesteld met een tweetrapsmaking. Zijn twee kinderen werden tot erfgenamen benoemd, maar hun erfdelen waren onder meer gekoppeld aan de ontbindende voorwaarde dat faillissement of toelating tot de schuldsanering leidde tot verval van het erfdeel. Op het moment van overlijden was de zoon van de erflater failliet. Het hof Den Haag oordeelde dat de zoon wel erfgenaam werd, maar dat zijn erfdeel onmiddellijk verviel aan zijn kinderen, die als verwachters waren aangeduid. De dochter ging in cassatie en stelde dat de zoon nooit erfgenaam was geworden. Het hof beoordeelde echter ook de waardering van het voorwaardelijke erfdeel en stelde vast dat de waarde van het recht van de zoon op nihil moest worden gesteld, omdat zijn kinderen het gehele erfdeel hadden verkregen, zodat geen waardevermindering plaatsvond op de legitieme portie.

Oordeel van de Hoge Raad

Geen erfgenaamschap bij reeds vervulde voorwaarde

De Hoge Raad stelt voorop dat bij een tweetrapsmaking de ontbindende voorwaarde in beginsel betrekking heeft op een onzekere toekomstige gebeurtenis. Indien de voorwaarde reeds is vervuld op het moment van overlijden, treedt het verval van het erfdeel van de bezwaarde onmiddellijk in werking en gaat het erfdeel rechtstreeks over op de verwachter. In dat geval wordt de bezwaarde volgens de Hoge Raad niet als erfgenaam aangemerkt. De Hoge Raad corrigeert daarmee het oordeel van het hof, dat de zoon wel als erfgenaam had aangemerkt, en volgt de benadering dat de verwachting meteen intreedt zonder overgangsrecht.

Waardering bij de legitieme portie

Daarnaast stond de waarderingsregel van artikel 4:71 BW centraal. Dit artikel bepaalt dat de waarde van alles wat een legitimaris krachtens erfrecht heeft verkregen, in mindering komt op zijn aanspraak op de legitieme portie. De vraag was of bij die waardering rekening moet worden gehouden met het voorwaardelijke karakter van de verkrijging. De Hoge Raad overweegt dat een ontbindende voorwaarde de waarde van de verkrijging beïnvloedt en daardoor een waardedrukkend effect heeft. Indien het waardedrukkende effect van de voorwaarde genegeerd zou worden, zou afbreuk worden gedaan aan de aanspraak van de legitimaris op de legitieme portie, aldus de Hoge Raad.

Conclusie

Het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2026 verschaft helderheid waarover in de rechtspraktijk onzekerheid bestond. Het bevestigt dat een bezwaarde erfgenaam geen enkel recht verkrijgt wanneer de ontbindende voorwaarde bij overlijden al is vervuld, en dat de waardedrukkende werking van een voorwaardelijke verkrijging moet worden meegenomen bij de bepaling van de legitieme portie. Voor erflaters en legitimarissen levert dit arrest duidelijke richtsnoeren op over voorwaardelijke erfdelen.

Heeft u vragen over uw positie als erfgenaam, bezwaarde, verwachter of legitimaris? Neem dan contact op met onze erfrecht advocaten voor deskundig advies en begeleiding.