115 jaar ervaring in de advocatuur

In erfrechtelijke procedures spelen familieverhoudingen en financiële verantwoording vaak een doorslaggevende rol. De rechtbank Midden Nederland is in haar uitspraak van 31 december 2025 ingegaan op de vraag in hoeverre een executeur zich kon beroepen op schriftelijke verklaringen ter rechtvaardiging van overboekingen aan zichzelf, terwijl de authenticiteit van de handtekeningen werd betwist. De uitspraak laat zien hoe de rechter omgaat met deskundigenonderzoek, heroverweging van tussenvonnissen en de grenzen van aansprakelijkheid binnen de afwikkeling van een nalatenschap.

Feiten – handtekeningen vervalst

De rechtbank Midden Nederland oordeelde op 31 december 2025 in een erfrechtelijk geschil tussen twee broers over de nalatenschap van hun moeder. Erflaatster had bij testament van 27 maart 2014 haar beide zoons voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd en één van hen aangewezen als executeur. Deze executeur hielp erflaatster sinds 2010 met haar administratie en had vanaf 2014 een eigen bankpas. Na het overlijden van erflaatster ontstond discussie over verschillende overboekingen die in 2020 en 2021 van haar rekening naar de executeur waren gedaan.

De executeur stelde dat deze overboekingen waren gebaseerd op een verklaring mantelzorgbijdrage van 5 augustus 2019 en een verklaring jaarlijkse belastingvrije schenking van 22 november 2018. De andere erfgenaam betwistte dit en stelde dat de handtekeningen onder deze verklaringen vervalst waren. Na een tussenvonnis benoemde de rechtbank een forensisch schriftexpert om de authenticiteit van de handtekeningen te onderzoeken.

Juridisch probleem

Centraal stond de vraag of de overboekingen een rechtsgrond hadden en of de verklaringen daadwerkelijk door erflaatster waren ondertekend. Daarnaast lag een beroep voor op artikel 7:175 BW, waarin is bepaald dat een schenking een overeenkomst om niet is die strekt tot verrijking van de andere partij met de bedoeling om te bevoordelen. Ook werd een beroep gedaan op artikel 3:194 lid 2 BW, dat ziet op verbeurdverklaring van het aandeel van een deelgenoot die opzettelijk goederen van de gemeenschap verzwijgt. Voor dit artikel geldt dat de deelgenoot moet weten dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort. Tot slot was artikel 4:7 lid 1 sub e BW relevant voor de vraag of erfbelasting een schuld van de nalatenschap vormt en artikel 150 Rv voor de bewijslastverdeling. De rode lijn door het verhaal kwam neer op een vraag: is de handtekening vervalst?

Beslissing rechtbank

De rechtbank achtte het deskundigenrapport overtuigend voor wat betreft de verklaring mantelzorgbijdrage en de verklaring jaarlijkse belastingvrije schenking. De deskundige concludeerde met een zeer hoge waarschijnlijkheid dat de handtekeningen onder deze verklaringen niet door erflaatster waren geplaatst. De rechtbank nam deze conclusie over en oordeelde dat de executeur het bedrag van in totaal 18.250,- moest terugbetalen aan de nalatenschap, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding.

Ten aanzien van een afzonderlijke schenkingsverklaring van 50.000,- oordeelde de rechtbank anders. Hoewel de deskundige daarover opmerkingen had gemaakt, achtte de rechtbank deze onvoldoende duidelijk en innerlijk tegenstrijdig. Het beroep op vernietiging wegens misbruik van omstandigheden werd eveneens verworpen.

Het beroep op artikel 3:194 lid 2 BW faalde, omdat niet kon worden vastgesteld dat de executeur wist dat de nalatenschap een vordering op hem had. Ook de vorderingen wegens onrechtmatig handelen werden afgewezen bij gebrek aan vastgestelde wetenschap van vervalsing. De rechtbank stelde de omvang van de nalatenschap vast op 97.563,91 door het saldo op de ervenrekening te verhogen met het terug te betalen bedrag en bepaalde dat beide erfgenamen ieder recht hebben op de helft. De proceskosten werden gecompenseerd wegens de familierelatie tussen partijen.

Deze uitspraak onderstreept het gewicht dat de rechter toekent aan een zorgvuldig uitgevoerd deskundigenonderzoek bij betwiste handtekeningen en laat zien dat verklaringen zonder authentieke handtekening geen zelfstandige rechtsgrond kunnen vormen voor vermogensverschuivingen binnen een nalatenschap.

Conclusie

Een rechter kan in een procedure consequenties verbinden aan het handelen van een executeur en het mogelijk vervalsen van handtekeningen. Mocht u in een soortgelijk probleem zitten? Schroom dan niet om vrijblijvend met een van onze erfrechtadvocaten te sparren en contact op te nemen.

Stijn Goossens, erfrechtadvocaat: Heeft u hulp nodig met mogelijk vervalste documenten in een nalatenschap? Neem vrijblijvend contact op.

Bel nu 076 - 5 136 198