Onze updates -

Nieuws

  • 92 resultaten
  • Reset filters
4 dec. 2019

De perikelen rondom het Cornelius Haga Lyceum

Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam is het afgelopen jaar regelmatig in het nieuws geweest. Zo kopte de NOS op 8 maart van dit jaar: ‘’Kabinet dreigt islamitische school met sluiting, Rutte raadt school af’’ en op 11 juli van dit jaar: ‘’Slob: geldkraan dicht als bestuur Haga Lyceum niet opstapt.’’ In deze blog wordt bekeken wat er nu allemaal speelt rondom deze school en wat de juridische consequenties hiervan zijn. Kan de overheid inderdaad besluiten een middelbare school geen bekostiging meer toe te kennen? Voordat het Cornelius Haga Lyceum nader wordt bekeken is het goed om eerst het verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs duidelijk te hebben. Bijzonder onderwijs betreft scholen die les geven op basis van een bepaalde richting. Deze richting kan een godsdienst, levensovertuiging of visie op het onderwijs zijn. Openbare scholen zijn niet gebaseerd op een bepaalde richting en de overheid moet ervoor zorgen dat er voldoende openbare scholen in een gemeente zijn. Wat houdt het recht op onderwijsbekostiging in? In artikel 23 lid 7 Grondwet staat opgenomen dat: ‘’Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.’’ Dit artikel garandeert dus een gelijke overheidsbekostiging van het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs dat aan bij de wet te stellen voorwaarden voldoet. Hoewel lid 7 geen beperkingen stelt aan de inhoud van de bekostigingsvoorwaarden, is aan te nemen dat deze voorwaarden ook de vrijheid van richting en oprichting in acht moeten nemen. Bekostiging is dus een grondwettelijk recht en de voorschriften zijn bij wet geregeld. Wat voor school is het Cornelius Haga Lyceum? Het Cornelius Haga Lyceum is een bijzondere school voor voortgezet onderwijs op Islamitische grondslag. De Stichting Islamitisch Onderwijs Nederland (hierna te noemen: SIO) vormt het bevoegd gezag van deze school. Omdat het een bijzondere school voor voortgezet onderwijs betreft, is de Wet op het voorgezet onderwijs van toepassing (hierna te noemen: Wvo). In de Wvo zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de onderwijsbekostiging. Een van de wettelijke voorschriften omtrent de bekostiging is neergelegd in artikel 104 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs. Hieruit volgt dat de minister de bekostiging geheel of gedeeltelijk kan inhouden dan wel opschorten wanneer het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met de Wet op het voortgezet onderwijs. De Onderwijsinspectie heeft een rapport uitgebracht over deze school waaruit, volgens de minister, de volgende misstanden zouden blijken: Er zou sprake zijn van ernstige nalatigheid om maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de school; Er zou sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking van de rechtspersoon die de school in stand houdt; Er zou sprake zijn van financieel wanbeleid. De minister stelt zich, onder geleiding van het rapport van de Onderwijsinspectie, op het standpunt dat er sprake is van wanbeheer bij het Cornelius Haga Lyceum. Om deze reden heeft de minister SIO een aanwijzing in de zin van artikel 103g lid 1 Wvo gegeven. Deze aanwijzing hield in dat het bestuur van de school binnen vier weken na dagtekening van de aanwijzing al zijn taken en bevoegdheden moest overdragen aan een interim-bestuur. (Over de rechtmatigheid van deze aanwijzing gaat de rechtbank van Amsterdam zich nog buigen.) Het Cornelius Haga Lyceum heeft de aanwijzing niet opgevolgd. Daarop besloot de minister op 15 oktober jl. de bekostiging van de onderhavige school per 1 december van 2019 te beëindigen. De minister is direct overgegaan tot volledige inhouding van de bekostiging, omdat hij het niet-naleven van de aanwijzing als zeer ernstig beschouwt, maar mocht hij dit zomaar doen? SIO heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Mocht de minister de bekostiging van deze school stop zetten? Op 22 november jl. heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopig oordeel gegeven in deze zaak (ECLI:NL:RVS:2019:3949). In r.o. 7.4 van de uitspraak overweegt de Afdeling dat bij het stopzetten van de bekostiging van het Cornelius Haga Lyceum de minister zich niet aan zijn eigen beleidsregels heeft gehouden. Het besluit tot inhouding van de bekostiging is in strijd met de Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen (https://wetten.overheid.nl/BWBR0031665/2013-08-01). Uit deze beleidsregel vloeit namelijk voort dat alleen tot volledige inhouding van de bekostiging kan worden overgegaan als aan de volgende vereisten is voldaan: De bekostiging moet eerst voor 15% zijn opgeschort; daarna, na drie maanden, moet de bekostiging voor 15% zijn ingehouden; en daarna, na weer drie maanden, moet de bekostiging voor 30% zijn ingehouden; en als het bestuur dan nog altijd niet aan de wettelijke voorschriften voldoet. In het onderhavige geval heeft de minister dus geen toepassing gegeven aan de door hemzelf geformuleerde beleidsregels. Op de zitting heeft de minister gemotiveerd dat hij van deze beleidsregel is afgeweken omdat de beleidsregels alleen zou toezien op het niet-naleven van wettelijke voorschriften en het hier gaat om het niet-naleven van een aanwijzing. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee en schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de minister. Volgens de voorzieningenrechter mocht de minister de bekostiging van deze school dus niet zomaar stopzetten. De minister wordt hier aardig terug gefloten, maar of het oordeel ook stand houdt in de bodemprocedure moet nog af worden gewacht. Indien u nader geïnformeerd wilt worden over dit onderwerp dan kunt u contact opnemen met Lieke Prinsen, per e-mail (prinsen@rassers.nl) of telefonisch op nummer 076-5 136 121.

12 nov. 2019

Slapende dienstverbanden en werkgevers klaarwakker door uitspraak Hoge Raad

We adviseren werkgevers nog deze maand actie te ondernemen; we leggen hierna uit waarom ...........................................................................................................................

12 nov. 2019

De contractuele verantwoordelijkheid voor PFAS onder de UAV 2012

De bouwwereld is al weken in de ban van het fenomeen PFAS (“poly- en perfluoralkylstoffen”) en de invloed daarvan op de bouw. Dat de voor PFAS per 8 juli 2019 geldende regelgeving (het Tijdelijk Handelingskader) de bouw raakt, daarover is iedereen het wel eens. Maar niet iedereen (zeker opdrachtgevers en aannemers onderling) zal het er over eens zijn voor wiens rekening de gevolgen komen. Dit kan per aannemingsovereenkomst verschillen, maar gelet op de grote financiële en temporele gevolgen hebben beide kampen er baat bij de verantwoordelijkheid bij de ander te leggen. De uniforme administratieve voorwaarden 2012 (“UAV”) vormen in de regel nog altijd de basis voor de meeste traditionele aannemingsovereenkomsten (met “traditioneel” wordt bedoeld dat de aannemer het werk uitvoert op basis van door de opdrachtgever ter beschikking gestelde ontwerpen, rapporten, bestek en tekeningen), zodat op basis van deze in de bouw gebruikelijke en evenwichtige voorwaarden in algemene zin wel iets gezegd kan worden over de allocatie van het “PFAS-risico”. Eerst zullen daartoe enkele relevante bepalingen uit de UAV 2012 aangehaald worden. Daarna zal kort het Tijdelijk Handelingskader aan de orde komen. Tot slot zal aan de hand van enkele casusposities toegelicht worden waar welke verantwoordelijkheid rust. UAV 2012 De hoofdregel is dat opdrachtgevers verantwoordelijk zijn voor alle door haar ter beschikking gestelde zaken, documenten, ontwerpen, rapporten en instructies (par. 5 lid 2 UAV). Daarnaast zijn zij verplicht om in het bestek te bepalen aan welke eisen en voorschriften het door de aannemer te realiseren werk moet voldoen. Als wet- en regelgeving hogere eisen stellen dan in de overeenkomst bepaald is, komen de bijbehorende kosten voor rekening van de opdrachtgever (par. 5 lid 6 UAV). Ook moet de opdrachtgever aard en omvang van aanwezige verontreiniging in het bouwterrein in het bestek vermelden (par. 5 lid 8 UAV). Tot slot: als de werkelijke bodemtoestand afwijkt van hetgeen vooraf is opgegeven door de opdrachtgever, dan wel redelijkerwijs verwacht had mogen worden, zijn de gevolgen daarvan voor rekening en risico van de opdrachtgever (par. 29 lid 3 UAV). Daartegenover staan wat het onderwerp PFAS betreft de verplichting van de aannemer om bekend te zijn met de voor de uitvoering van het werk van belang zijnde wet- en regelgeving (par. 6 lid 11 UAV) en dat de kosten van de naleving daarvan voor zijn rekening te nemen. Als na de dag van aanbesteding (of prijsaanbieding) wet- en regelgeving in werking treedt komen de gevolgen daarvan voor rekening en risico van de opdrachtgever, tenzij de aannemer die gevolgen op de dag van aanbesteding (of prijsaanbieding) had kunnen voorzien (par. 6 lid 13 UAV). Daarnaast rust op de aannemer een waarschuwingsplicht voor klaarblijkelijke fouten of onvolkomenheden in het bestek, instructies etc. van de opdrachtgever, op straffe van aansprakelijkheid (par. 6 lid 14 UAV 2012 UAV). Tijdelijk Handelingskader Het Tijdelijk Handelingskader heeft een aantal vergaande consequenties voor de bouw. In het bijzonder wanneer grond van locatie moet worden afgevoerd en dus niet met een gesloten grondbalans wordt gewerkt, maar zelfs als dat wel het geval is kán er een noodzaak zijn toch te onderzoeken op PFAS (met alle bijbehorende gevolgen van dien, waarover kort hierna). Er geldt in vrijwel alle gevallen een (voorheen niet uitdrukkelijk erkende) verplichting om bodemmonsters óók te (laten) onderzoeken op de aanwezigheid van PFAS. Daarnaast gelden zware eisen voor het (her)gebruik van PFAS-houdende grond. Voor de vraag of er in een bepaalde kwestie verplicht onderzoek naar PFAS gedaan moet worden, zij verwezen naar de zeer informatieve website bodemplus.nl. Daar staat onder andere een overzichtelijke tabel weergegeven, maar de belangrijkste bevinding daaruit is dat grondpartijen toegepast na 1 oktober 2019 altijd op de aanwezigheid van PFAS onderzocht zullen moeten worden. Of de uitkomsten van dat onderzoek vervolgens reden geven voor maatregelen bij de concrete grondtoepassing en zo ja welke, is te lezen op deze pagina van bodemplus.nl. Dit is hoogst afhankelijk van de aangetroffen hoeveelheden PFAS, dat bespreken gaat de juridische merites van deze blog te buiten. De gevolgen van deze regels zijn werkelijk enorm. In de regel zal veel bestaand onderzoek geactualiseerd moeten worden met onderzoek naar PFAS en nog uit te voeren onderzoek zal uitgebreider worden. Wachttijden bij laboratoria stijgen en aangezien de vraag naar (aanvullend) onderzoek groter is, zal het onderzoek duurder worden. Al die tijd stijgen doorlooptijd en kosten. De uitkomst van het nadere onderzoek zou zomaar kunnen zijn dat het voorgenomen grondverzet niet plaats mag vinden, dan wel duurder wordt en/of meer tijd kost als gevolg van een tekort aan beschikbare gronddepots. Dan is natuurlijk de hamvraag: voor wiens rekening komen deze gevolgen? Casusposities Het antwoord op de vraag voor wiens rekening de financiële en temporele gevolgen van de nieuwe PFAS-regelgeving komt is afhankelijk van het contract, de datum van de aanbesteding of prijsaanbieding en van de oplettendheid van de aannemer in de contractfase. Aan de hand van enkele (niet-limitatieve) casusposities zal dit worden toegelicht. Uiteraard zal niet de positie worden behandeld waarin vooraf al een toetsing op PFAS heeft plaatsgevonden, in dat geval weten alle betrokkenen immers - als het goed is - waar ze aan toe zijn en zal daarmee rekening zijn gehouden in contract en planning. 1. De aannemingsovereenkomst en het bodemonderzoek dateren van vóór 8 juli 2019. Het grondverzet is vóór 1 oktober 2019 verricht. PFAS en de nieuwe regelgeving hebben hierop geen invloed. Geen gevolgen. 2. Zelfde casus, maar het grondverzet vindt na 1 oktober 2019 plaats. De aannemer zal de partij grond moeten laten onderzoeken op PFAS, terwijl dit niet uit het bestek volgde. De temporele en financiële gevolgen komen voor rekening en risico van opdrachtgever op basis van par. 6 lid 13 UAV. Opdrachtgevers zouden overigens kunnen betogen dat op basis van eerdere aankondigingen van de staatssecretaris (brief 11 december 2018 en RIVM onderzoek 9 april 2019) deze ingrijpende per 8 juli 2019 geldende regelgeving verwacht had mogen worden zodat de gevolgen voor rekening aannemer zijn. Er zijn meerdere redenen waarom die vlieger niet op zal gaan, maar die laat ik buiten deze blog. Als het nadere onderzoek uitwijst dat het grondverzet meer tijd en/of geld kost, komen deze gevolgen voor rekening van de opdrachtgever op basis van par. 6 lid 13 en par. 29 lid 3 UAV. 3. De aannemingsovereenkomst is of wordt gesloten ná 8 juli 2019 en het grondverzet vindt plaats ná 1 oktober 2019. In het verrichte bodemonderzoek is PFAS nog niet meegenomen. De aannemer zal, in verband met zijn verplichting zijn werkzaamheden te laten voldoen aan wet- en regelgeving, de te verzetten grond moeten laten toetsen op de aanwezigheid van PFAS. De met dat onderzoek verband houdende temporele en financiële gevolgen zijn voor zijn rekening (par. 6 lid 11 UAV 2012). Als uit dat onderzoek vervolgens voortvloeit dat er PFAS aanwezig zijn en wel in zodanige omvang dat het werk c.q. het grondverzet duurder wordt en/of meer tijd in beslag zal nemen, komen laatstgenoemde gevolgen (in tegenstelling tot de onderzoekskosten en -duur dus) in beginsel voor rekening en risico van de opdrachtgever (par. 29 lid 3 UAV 2012). De laatste casuspositie is natuurlijk de het meest relevant omdat die vanaf nu het meest zal voorkomen. Ik schrijf daar dat “in beginsel” de grootste gevolgen van PFAS voor opdrachtgevers zullen zijn. In beginsel, want opdrachtgevers zouden in de laatste zin van par. 29 lid 3 UAV een argumentje kunnen lezen waarom de eventuele aanwezigheid van PFAS tóch het probleem van de aannemer zou moeten zijn. Par. 29 lid 3 UAV sluit immers af met de zin dat de daar opgenomen regeling ook geldt als in het bestek niets vermeld is over de bodemtoestand en de werkelijkheid afwijkt van hetgeen “de aannemer redelijkerwijs had mogen verwachten”. Een opdrachtgever zou kunnen beargumenteren dat aannemers redelijkerwijs altijd op de aanwezigheid van PFAS en de tijd- en financiële consequenties daarvan moeten rekenen. De toepassingsnormen van PFAS zijn thans immers extreem laag (namelijk: detectiewaarden) en de media wekken de indruk dat PFAS werkelijk overal in de bodem zit. Mijn mening is dat dit niet op zal gaan simpelweg omdat de onderliggende aanname te simplistisch is. Het is echter onzeker hoe de PFAS-problematiek en het debat daarover zich verder zal ontwikkelen en aannemers kunnen dus maar beter het zekere voor het onzekere nemen. Mijn advies aan aannemers is dan ook om bij contractonderhandelingen de risico’s in verband met PFAS uitdrukkelijk te benoemen en deze toe te wijzen aan de partij waar deze thuishoren (bij de opdrachtgever dus, die het bouwterrein ter beschikking stelt). Daarnaast is het van groot belang om vooraf in de planning met de aanwezigheid van PFAS rekening te houden alsmede de beschikbaarheid van gronddepots en laboratoria te borgen.

6 nov. 2019

Aannemer heeft een vergaande zorgplicht jegens omwonenden van het project!

Uit een recente uitspraak van de rechtbank Noord Holland (ECLI:NL:RBNHO:2019:7672) blijkt dat de aannemer een vergaande zorgplicht heeft ten aanzien van de omwonenden van het project in welk kader hij werkzaamheden verricht. Feiten Eiseres is eigenaar van perceel 6 met daarop een circa 100 jaar oude stolpboerderij waar eiseres woont. Gedaagde is eigenaar van perceel 4 en heeft hierop werkzaamheden laten verrichten. De architect heeft het bestek en de ontwerp- en constructieve bestektekeningen voor de nieuwe woning opgesteld. Ook is er een sonderingsadvies en een palenplan opgesteld. Gedaagde heeft aannemer vervolgens benaderd voor het uitvoeren van de bouw. In aanloop van de start van de heiwerkzaamheden heeft eiseres aan de aannemer gevraagd een onafhankelijk onderzoek te laten doen aan de huizen in de nabije omgeving. Vervolgens is aannemer gestart met de heiwerkzaamheden. Na diverse waarschuwingen van zowel eiseres als eigenaar van perceel 5, zijn de heiwerkzaamheden meerdere malen stilgelegd. Het heiplan is gewijzigd en uiteindelijk zijn er mortelschroefpalen gebruikt waarna de heiwerkzaamheden zonder aanvullende klachten zijn afgerond. Na het heien hebben beide partijen meerdere onderzoeken laten verrichten. Oordeel van de rechtbank In de procedure beantwoordt de rechtbank onder andere de vraag of de aannemer onrechtmatig heeft gehandeld jegens de omwonenden. Naar oordeel van de rechtbank bracht de zorgplicht van de aannemer jegens de omwonenden mee dat zij naar aanleiding van het palenplan niet alleen een zogenaamde nulmeting naar de staat van de gebouwen voor aanvang van de heiwerkzaamheden had moeten doen, maar ook onderzoek had moeten doen naar de bouwkundige staat van de gebouwen in de directe omgeving van de plaats waar geheid zou gaan worden. Dit geldt des te meer nu het perceel van de buren (perceel 5) en het perceel van die buren (perceel 6), dicht bij de heiwerkzaamheden waren gelegen. Deze onderzoekplicht brengt ook mee dat aannemer dat onderzoek had moeten doen naar de fundering. Deze onderzoekplicht weegt zwaarder omdat één van de gebouwen de ruim honderd jaar oude stolpboerderij van eiseres is. Aannemer wist of had redelijkerwijs moeten begrijpen dat een dergelijk gebouw een kwetsbare fundering heeft of kan hebben. Onderzoek naar de bouwkundige staat van de gebouwen lag meer voor de hand nadat de eerste problemen waren ontstaan bij het heien, de klachten van de eigenaar van perceel 5 over trillingschade. De onderzoeken naar de bouwkundige staat van de gebouwen en de fundering hebben niet plaatsgevonden. Ook heeft aannemer in kwestie tijdens de zogenoemde ‘nulmeting’ nagelaten de binnenzijde van de gebouwen op (perceel 6) op te nemen voordat met de heiwerkzaamheden was gestart. Door voorafgaand aan en tijdens het heien na te laten onderzoeken te verrichten heeft aannemer haar zorgplicht geschonden en is zij aansprakelijk voor de ontstane schade. Het standpunt van aannemer dat zij mocht uitgaan van de juistheid van het palenplan van architect, is onjuist. Op de aannemer rustte een zelfstandige plicht om onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van het heiwerk voor de omgeving. Voor de eigenaar van perceel 4, waarop de heiwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, geldt dat het veroorzaken van trillingen op zijn erf op zich niet onrechtmatig is jegens eiseres. Derhalve geldt er ook geen schadevergoedingsplicht. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de op het perceel van eiseres staande gebouwen aanzienlijke schade hebben opgelopen door de heiwerkzaamheden. Conclusie Uit deze uitspraak volgt dat een aannemer onder omstandigheden op grond van de zorgplicht jegens omwonenden aansprakelijk kan zijn voor de schade aan de omliggende woningen die door de uitvoering van het project zijn opgetreden. Naast het doen van een zogenoemde ‘nulmeting’, dient de aannemer onder omstandigheden ook onderzoek te doen naar de bouwkundige staat en de fundering van de omliggende woningen. In bovengenoemde casus speelt mee dat de omliggende woningen dicht bij het perceel lagen waar de werkzaamheden plaatsvonden. Daarbij kwam ook dat één van de omliggende woningen meer dan 100 jaar oud was. Houdt als aannemer van een project rekening met een mogelijk vergaande zorgplicht en daaruit voortvloeiende onderzoekplicht ter voorkoming van schade bij de omwonenden van het project. Gelet op de geringe jurisprudentie over de reikwijdte van deze zorgplicht is het nog maar de vraag of in iedere situatie dergelijk (vergaand) onderzoek verricht moet worden. Dit zal sterk afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. Indien u nader geïnformeerd wilt worden over dit onderwerp dan kunt u contact opnemen met Rebecca van der Lugt, per e-mail (lugt@rassers.nl) of telefonisch op 076-5 136 198 dan wel met de andere advocaten van de sectie Bouw en Vastgoed.

1 nov. 2019

Welke gevolgen brengt het pensioenakkoord met zich mee?

Na langdurige onderhandelingen is er eindelijk een pensioenakkoord bereikt tussen het kabinet en sociale partners. Voor veel mensen is het niet duidelijk wat dit akkoord precies inhoudt en – belangrijker nog – wat de gevolgen hiervan zijn voor de arbeidsrechtpraktijk. De komende periode zal ik in mijn bijdrage iedere keer één onderwerp van het pensioenakkoord bespreken, waarbij concreet wordt aangegeven tot welke gevolgen dit in de praktijk leidt. AOW-leeftijd en pensioenontslag(beding) In het pensioenakkoord is onder meer overeengekomen dat de AOW-leeftijd vanaf 2020 in een vertraagd tempo zal stijgen en pas in 2024 op 67 jaar zal komen. Na 2024 is de verdere verhoging van de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Er is hierbij afgesproken dat de stijging van de AOW-leeftijd met ingang van 2025 voor 2/3e wordt gekoppeld aan de levensverwachting. Simpel gesteld: als de levensverwachting met één jaar stijgt zal de AOW-leeftijd met acht maanden stijgen. Deze aangepaste koppeling gaat na 2024 ook gelden voor de pensioenrichtleeftijd, waardoor ook deze minder snel zal stijgen. Voor werkgevers is van belang dat zij vanaf 2020 mogelijk oudere werknemers in dienst hebben die de AOW-leeftijd eerder bereiken dan kort geleden (voor de totstandkoming van het pensioenakkoord) werd aangenomen. Indien er een pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst is opgenomen (vaak geformuleerd als: ‘de arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege op de dag waarop werknemer de AOW-leeftijd bereikt’) zal de arbeidsovereenkomst dus op een eerder moment eindigen. Mochten werkgever en werknemer de arbeidsovereenkomst (tijdelijk) voort wensen te zetten, dan moet tijdig een aansluitende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden overeengekomen. Aan de andere kant: in de situatie dat de werkgever een definitief einde van het dienstverband voor ogen heeft, is het wenselijk dat de werkgever tijdig een beroep doet op het pensioenontslagbeding. Doet de werkgever dat niet en blijft de werknemer gewoon doorwerken, dan zou de werknemer kunnen stellen dat er een nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan waarop artikel 7:669 lid 4 BW niet van toepassing is (het is de werkgever namelijk op grond van dit artikel slechts toegestaan om de arbeidsovereenkomst eenmaal op te zeggen, terwijl de werknemer in dit voorbeeld het standpunt kan innemen dat deze eenmalige mogelijkheid al is benut door het opnemen van het pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst). Ook bestaat er een mogelijkheid dat een latere opzegging door de werkgever in strijd is met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd (WGBL), omdat in deze wet is opgenomen dat de arbeidsovereenkomst door de werkgever strikt genomen wegens de AOW-leeftijd kan worden beëindigd en dus niet na een hogere leeftijd. Dit zou in ieder geval veel stof voor discussie kunnen opleveren. Is geen pensioenontslagbeding overeengekomen, dan kan de werkgever de arbeidsovereenkomst opzeggen tegen de AOW-leeftijd (artikel 7:669 lid 4 BW). Het is hierbij raadzaam om een consequent beleid te hanteren, in die zin dat de werkgever de arbeidsovereenkomst met zijn oudere werknemers iedere keer opzegt tegen de datum waarop zij de AOW-leeftijd bereiken. Daarmee worden eventuele gelijke behandelingsdiscussies voorkomen. Vanzelfsprekend moet dan tijdig de toepasselijke opzegtermijn van één maand in acht worden genomen. Tot slot Indien u nog nadere informatie wenst over dit artikel of als u meer in zijn algemeenheid een vraag heeft over een pensioenrechtelijk onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Bram Rothuizen van de sectie pensioenrecht van Rassers Advocaten (076 5136 123 en/of rothuizen@rassers.nl).