Onze updates -

Nieuws

  • 92 resultaten
  • Reset filters
14 jan. 2020

Rassers begeleidt AED-partner

Rassers feliciteert (de aandeelhouders van) cliënte AED Partner met de aansluiting bij SK FireSafety Group. AED-Partner is de grootste en merkonafhankelijke leverancier van AED’s in de Benelux. Zij sluit zich nu aan bij SK FireSafety Group die zich specialiseren in het leveren van producten en systemen voor de (brand)veiligheid voor onder meer MKB, overheid, onderwijs en high risk bedrijven. Medio december 2019 is de transactie afgerond. Annemarie Beljaars en Günes Güntekin van Rassers begeleidden de aandeelhouders en AED Partner in het gehele traject en wensen de samenwerkende partners veel succes in de toekomst. Zie bijgevoegd persbericht

14 jan. 2020

Spoedwet aanpak stikstof; oplossing of niet?

Op 1 januari jl. is de Spoedwet aanpak stikstof in werking getreden. Deze wet voorziet onder meer in een aantal wijzigingen van de Wet natuurbescherming (Wnb), waarmee extra instrumenten in het leven worden geroepen om de stikstofproblematiek aan te pakken. Het is de bedoeling dat hierdoor activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken en die geraakt zijn door de PAS-uitspraken weer doorgang kunnen vinden. In deze blog worden de vijf belangrijkste wijzigingen uit de Spoedwet besproken.

8 jan. 2020

Bestuurder niet aansprakelijk maar toch geen kostenvergoeding

Hoofdregel van ons procesrecht is dat de partij die in de procedure ongelijk krijgt, niet alleen zijn eigen proceskosten maar ook die van de wederpartij moet dragen. Dat kan anders zijn in speciale gevallen, bijvoorbeeld bij nodeloze kosten. Dat kwam bestuurders duur te staan in een procedure waarbij de curator hen aansprakelijk stelde voor het boedeltekort van de failliete vennootschap. Omdat die bestuurders nalieten om tijdig opheldering te geven over de oorzaken van het faillissement en informatie aan te curator te geven, zag de curator zich genoodzaakt om dan maar een procedure tegen hen te starten. Zo tegen het einde van de procedure kwam eindelijk het bewijs boven tafel en bleken er andere oorzaken voor het faillissement te zijn dan bestuurdersaansprakelijkheid. Maar toen was men al bijna aan het einde van de dure procedure. Hoewel de rechtbank de bestuurder dus niet aansprakelijk oordeelde, en de curator de procedure verloor, krijgen de bestuurders hun eigen kosten niet vergoed. Ze hadden volgens de rechtbank veel eerder de informatie en het bewijs moeten verstrekken (dan was een procedure ook niet nodig geweest). Zie verder mijn juridische analyse in het tijdschrift Rechtspraak Insolventie 2019/96 en Rechtspraak Ondernemingsrecht 2019/72[link]

7 jan. 2020

Schadevergoeding voor student na negatief bindend studieadvies

Afgelopen najaar is een interessante uitspraak gepubliceerd van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam over het recht op schadevergoeding voor een student na een onterecht verkregen negatief bindend studieadvies (“bsa”) [zie Rechtbank Amsterdam, 19 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5247]. Een van de weinige uitspraken over deze materie! Negatief bindend studieadvies De student in kwestie studeerde aan de Hogeschool van Amsterdam (“HvA”) en kreeg in zijn tweede collegejaar een negatief bindend studieadvies. Hiertegen heeft de student geprocedeerd. Tijdens de hoger beroepsprocedure bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (“CBHO”) heeft de HvA verklaard dat zij het negatief bindend studieadvies heeft ingetrokken. Desondanks liep de student wel een studievertraging op van één jaar. En daarmee ook een vertraging voor de toetreding tot de arbeidsmarkt en dus één jaar inkomsten uit arbeid. Volgens de student dient de HvA deze schade te vergoeden, en wel overeenkomstig de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Beoordeling kantonrechter Niet in geschil is dat de HvA met het geven van een negatief bsa onrechtmatig jegens de student heeft gehandeld. De HvA is dan ook gehouden de schade die de student heeft geleden als gevolg van dit onrechtmatige handelen, aan de student te vergoeden. Ter beoordeling stond daarom onder meer wat de omvang was van de door de student geleden schade. In dit verband stelt de HvA dat de student zijn schade had kunnen beperken door het door de HvA voorgelegde studieplan te volgen. De student had hiermee een half jaar kunnen “inlopen”, maar heeft hiervan afgezien. De kantonrechter deelt dit standpunt van de HvA is daarom van oordeel dat de schade als gevolg van de studievertraging voor de helft (dus voor een half jaar) voor rekening van student dient te blijven. De HvA brengt ook nog in dat student gedurende het jaar dat hij zijn opleiding niet kon volgen, heeft gewerkt als nachtreceptionist en daarmee inkomsten heeft vergaard. De kantonrechter vindt het (kort gezegd) niet redelijk dat deze inkomsten van student volledige moeten worden verrekend met de HvA en zal de verkregen inkomsten daarom slechts voor een deel met de geleden schade verrekenen. Bij gebrek aan andere reële aanknopingspunten oordeelt de kantonrechter tot slot dat -onder verwijzing naar artikel 6:97 BW- inderdaad aansluiting kan worden gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Deze Richtlijn gaat uit van een normbedrag van EUR 19.800,-- per jaar studievertraging op HBO-niveau. Hoogte schadevergoeding In onderhavige zaak is het normbedrag van de Richtlijn gehalveerd en daar is vervolgens nog een redelijk bedrag aan inkomsten van afgetrokken. De HvA is uiteindelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 6.900,-- aan schadevergoeding aan de student, ten gevolge van het onterechte verkregen negatief bsa. Tot slot Heeft u vragen over bovenstaande materie of over andere aspecten van het onderwijsrecht? Dan kunt u contact opnemen met Mischa Mackaaij, e-mail mackaaij@rassers.nl , telefoonnummer 076-5 136 133.

12 dec. 2019

Wangedrag ouders: mag een school om die reden een leerling verwijderen?

Om maar meteen met de hoofdregel te beginnen: ja, dat mag. Maar, tot verwijdering van een leerling wegens het gedrag van ouders kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden overgegaan. Namelijk, indien de feiten op grond waarvan de verwijdering plaatsvindt, zó ernstig zijn dat zij een verwijdering rechtvaardigen en er in redelijkheid geen alternatieve oplossing meer mogelijk is. Alle betrokken belangen en relevante omstandigheden dienen hierbij te worden meegewogen. Aanleiding voor deze blog is een uitspraak van de Geschillencommissie passend onderwijs (hierna: “de Geschillencommissie”) van 26 juli 2019 (publicatienummer 108814). In deze zaak heeft de VO-school een van haar leerlingen verwijderd met als reden ‘vertrouwensbreuk met ouders’. Ouders zijn het hier niet mee eens en hebben zich daarom tot de Geschillencommissie gewend. Wat speelde er? Op school was sprake van een pestproblematiek bij een leerling. De ouders van deze leerling maakten zich hier zorgen om en stuurden de school hierover een reeks e-mailberichten in beschuldigende bewoording. De school voelde zich hierdoor beperkt in haar pedagogisch handelen. Nadat diverse gesprekken hebben plaatsgevonden tussen ouders en school, spreken ouders en school een ‘time-out’ af voor wat betreft de e-mailberichten van ouders aan school. Een dag na deze afspraak sturen ouders alweer een e-mail aan school. De school zoekt vervolgens een nieuwe school voor de leerling. Deze nieuwe school is bereid de leerling toe te laten. Om dit te bespreken worden ouders uitgenodigd voor een gesprek. Deze afspraak wordt twee keer door ouders afgezegd. Omdat school vindt dat er een onwerkbare situatie is ontstaan (de uitingen van ouders hadden een intimiderend effect op haar medewerkers) en de ouders gesprekken over een nieuwe school uit de weg bleven gaan, besloot de school tot verwijdering van de leerling, met als reden: “vertrouwensbreuk met ouders”. Ook het samenwerkingsverband stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een vertrouwensbreuk tussen ouders en school en een overstap naar een nieuwe school het beste zou zijn voor de leerling. Wat vindt de Geschillencommissie hiervan? De Geschillencommissie vindt de maatregel van school té vergaand. De school had ouders duidelijker kenbaar kunnen maken welke impact het gedrag van ouders had op het team op school. Hoewel de school zeker inspanningen heeft geleverd om te komen tot een werkbare situatie, is voor ouders onvoldoende duidelijk geweest welke consequenties hun onveranderde gedrag zou hebben. De school had ouders een expliciete, schriftelijke waarschuwing dienen te geven dat als ouders hun gedragingen niet zouden staken, zij zich genoodzaakt zou zien om desnoods een procedure te starten tot verwijdering van de leerling van school. Het verwijderingsbesluit is nu onvoorzien geweest. De Geschillencommissie oordeelt het verzoek van ouders gegrond en adviseert school om de leerling weer toe te laten. Heeft u vragen over bovenstaande materie of over andere aspecten van het onderwijsrecht? Dan kunt u contact opnemen met Mischa Mackaaij, e-mail mackaaij@rassers.nl , telefoonnummer 076-5 136 133.