Onze updates -

Nieuws

  • 99 resultaten
  • Reset filters
6 mrt. 2020

Taak van toezichthouders bij een stichting

De taak van een raad van toezicht/commissarissen (“RvT”) bij een stichting is op dit moment nog niet wettelijk omlijnd. De statuten bepalen doorgaans wat de taak van de RvT is. Rechtspraak en literatuur hebben de rol van de RvT nader ingevuld: de raad van toezicht/commissarissen houdt toezicht op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken in de stichting. Zij staat het bestuur met raad terzijde (adviserende rol). De RvT bij een stichting dient zich bij de taakvervulling te richten naar het belang van de stichting, meer in het bijzonder op toezicht op verwezenlijking van het stichtingsdoel. Daarbij dient de RvT de belangen van alle betrokken stakeholders in acht te nemen. In diverse sectorale regels zijn regelmatig aanvullende of specifieke taken en bevoegdheden aan een RvT toebedeeld, zoals bij zorginstellingen en onderwijsinstellingen. Kort en goed kan van de leden van de RvT een actieve houding worden verwacht. Niet in de laatste plaats geldt dat bij het overtreden door het bestuur van interne regels en bij tegenstrijdig belangsituaties. Met name in het laatste geval ligt er een specifieke taak voor de RvT (die ook wet zal worden, zie hierna). Ook dient de RvT toe te zien op het naleven van de administratieplicht door het bestuur. Om de toezichthoudende taak goed te kunnen uitoefenen zal de RvT actief moeten vragen om informatie van het bestuur. Met het Wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen (Kamerstukken 34491) gaat het nodige veranderen voor stichtingen. Met dit wetsvoorstel wordt onder meer beoogd de kwaliteit van het bestuur en toezicht bij not-for-profit organisaties te verbeteren. Op 28 januari 2020 is er een gewijzigd voorstel van wet door de Tweede Kamer aangenomen, waarin het voorgaande met zoveel woorden in de wet wordt verankerd. Het wetsvoorstel ligt momenteel nog bij de Eerste Kamer. Zie voor een nadere analyse - in een geval waarin de RvT nalatig was - mijn wenk bij de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (OK) van 26 november 2019, RO 2020/10. [link]

5 mrt. 2020

Welke gevolgen brengt het pensioenakkoord met zich mee?

In mijn vorige bijdrage heb ik één onderdeel van het pensioenakkoord behandeld, namelijk de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd in combinatie met het pensioenontslagbeding. Dit artikel gaat over een andere afspraak uit het pensioenakkoord en dan meer bepaald het versoepelen van de zogenaamde RVU-heffing. Met deze maatregel wordt beoogd om werkenden eerder te laten stoppen met werken. Overigens moet het pensioenakkoord nog nader uitgewerkt worden. Daarvoor is een stuurgroep aangesteld die bestaat uit het kabinet en vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties. Bij de uitwerking zijn ook toezichthouders DNB en het AFM, het CPB en pensioenuitvoerders betrokken. De uitwerking van de stuurgroep wordt vooralsnog in april 2020 verwacht en medio 2020 is minister Koolmees van plan de Tweede Kamer te informeren over de uitkomsten. Versoepeling RVU-heffing Wat wordt ook alweer onder de RVU-heffing verstaan? RVU betekent: Regeling Vervroegd Uittreden. Als een vertrekregeling – kort samengevat – is bedoeld als overbrugging tot de pensioendatum dan wel als aanvulling op een vervroegd ingegaan pensioen, dan kwalificeert dat als een RVU. Op grond hiervan moet de werkgever 52% heffing aan de Belastingdienst afdragen. Een dergelijke regeling is namelijk in strijd met het uitgangspunt dat werknemers tot hun pensioendatum moeten blijven werken. Om oudere werknemers, die werkend niet de AOW-leeftijd kunnen bereiken tegemoet te komen (denk aan zware beroepen zoals bouwvakker), voorziet het pensioenakkoord in een tijdelijke versoepeling. Concreet houdt dit in dat voor de periode 2021-2025 geen strafheffing verschuldigd is voor regelingen van vervroegde uittreding als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: - de vervroegde uittreding vindt plaats binnen de laatste drie jaar voor de AOW-leeftijd; - er is sprake van een vrijwillige vertrekregeling voor zowel de werkgever als de werknemer (werkgever en werknemer moeten hier overeenstemming over bereiken); - het bruto uitkeringsbedrag is niet meer dan een bepaalde maximale grens (waarschijnlijk ongeveer € 19.000,- per jaar). Werkgevers kunnen dus in de jaren 2021 tot en met 2025 tot een in de wet bepaald bedrag aan werknemers een uitkering, bijdrage of premie toekennen, zonder daarbij het risico op een forse RVU-heffing te lopen. Voor werkgevers- en werknemersverenigingen bestaat de mogelijkheid om hier in cao’s nadere spelregels over op te nemen. Deze regeling biedt oudere werknemers, voor wie het te belastend is om tot de AOW-leeftijd door te blijven werken, meer flexibiliteit om eerder te stoppen met werken. Gezien de hoogte van het vrijgestelde grensbedrag, is het echter maar zeer de vraag of dit voor alle oudere werknemers geldt. Het lijkt er eerder op dat deze versoepeling voornamelijk ziet op werknemers met lage lonen. Werkgevers doen er in ieder geval verstandig aan om – als er een vertrekregeling met een oudere werknemer wordt getroffen – goed de hoogte van de toegekende vergoeding voor ogen te houden. Een strafheffing van 52% ligt namelijk op de loer. Tot slot Indien u nog nadere informatie wenst over dit artikel of als u meer in zijn algemeenheid een vraag heeft over een pensioenrechtelijk onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Bram Rothuizen van de sectie pensioenrecht van Rassers Advocaten (076 5136 123 en/of rothuizen@rassers.nl).

18 feb. 2020

De waarschuwingsplicht voor aannemers

Op 21 januari jl. heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het hof) een arrest gewezen waarin de waarschuwingsplicht voor aannemers centraal staat (ECLI:NL:GHARL:2020:550). Op grond van artikel 7:754 BW dient een aannemer een opdrachtgever te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht en in geval van gebreken en ongeschiktheid van zaken afkomstig van de opdrachtgever alsmede fouten of gebreken in door de opdrachtgever verstrekte plannen, tekeningen, berekeningen, bestekken of uitvoeringsvoorschriften.

6 feb. 2020

Bestuurder aansprakelijk voor achterstallig loon

Onder omstandigheden kan een bestuurder aansprakelijk zijn als zijn onderneming (BV of NV) vorderingen onbetaald laat. Dan moet de bestuurder wel persoonlijk een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Een voorbeeld daarvan is indien de bestuurder bewust een toestand in het leven roept die betaling van die verplichting verhindert, zoals het leeghalen van een vennootschap en selectieve (wan)betaling. Als een bestuurder op het moment dat hij een handeling doet ernstig rekening moet houden met de mogelijkheid dat de vennootschap die onbetaalde vordering moet betalen; kan hij daarvoor aansprakelijk zijn. Daarvan was volgens de rechtbank Amsterdam sprake op het moment dat de bestuurder een dividenduitkering uitbetaalde aan de aandeelhouders terwijl hij toen rekening diende te houden met een vordering tot betaling van achterstallig loon. Zie mijn kritische wenk op deze uitspraak in Rechtspraak Ondernemingsrecht 2020/5.

31 jan. 2020

Ondernemingskamer lijkt alvast aansluiting te zoeken bij wetsvoorstel geschillenregeling

Een tijdje terug schreef ik deze blog over een wetsvoorstel dat de uittreding en uitstoting van een aandeelhouder makkelijker maakt. De Ondernemingskamer lijkt hier in een recente uitspraak en in afwachting van implementatie van dit wetsvoorstel alvast aansluiting bij te zoeken. Inleiding Voor geschillen tussen aandeelhouders van een besloten vennootschap kent de wet een geschillenregeling in artikel 2:343 BW. Op grond van de uittredingsregeling kan een aandeelhouder de rechter verzoeken uit de B.V. te mogen treden en zijn medeaandeelhouders dan wel de vennootschap te verplichten om zijn aandelen over te nemen. Tevens kan men op grond van de uitstotingsregeling de rechter verzoeken een aandeelhouder de vennootschap uit te stoten. De ervaring leert echter dat rechtbanken in het algemeen terughoudend zijn met het toepassen van deze regeling. De gronden waarop uittreding en uitstoting worden toegewezen zijn beperkt en rechtbanken stellen te hoge eisen. Het wetsvoorstel beoogt deze gronden te verruimen. Hierdoor zou het makkelijker moeten worden om als aandeelhouders van elkaar af te komen, door ofwel uittreding ofwel uitstoting. Zo wordt de maatstaf voor uittreding vereenvoudigd door het element ‘redelijkheid en billijkheid’ toe te voegen, waarmee een beknelde minderheidsaandeelhouder sneller een exit kan maken. Door invoering van dit wetsvoorstel wordt de drempel voor een gang naar de rechter lager en hoeven aandeelhouders zo niet langer tot elkaar veroordeeld te zijn. Toepassing in de praktijk De Ondernemingskamer lijkt in haar uitspraak van 24 september 2019 al rekening te houden met deze aankomende versoepeling van de geschillenregeling. Deze zaak ging kort gezegd om een vordering tot uittreding van een aandeelhouder in het kader van de nasleep van een conflictueuze echtscheiding. Volgens de Ondernemingskamer had de nasleep van de echtscheiding een dusdanige weerslag op de wijze van omgang binnen de vennootschap, dat geen sprake meer was van een constructieve samenwerking tussen de man en vrouw als bestuurders van de vennootschap. Dit heeft geleid tot een patstelling nu zij evenveel zeggenschap op bestuursniveau hadden. De man heeft daarbij de vrouw een aantal maal onterecht buiten spel gezet. Volgens de Ondernemingskamer kon van de vrouw niet langer worden gevergd dat zij aandeelhouder van de vennootschap bleef. De vordering werd dus toegewezen en de man diende de aandelen van de vrouw over te nemen. Conclusie In deze toepassing is duidelijk te zien dat de Ondernemingskamer met een redelijk eenvoudige beargumentering oordeelt dat een verdere samenwerking tussen de aandeelhouders niet wenselijk is. Simpel gezegd, er is een overduidelijke patstelling, dus de aandeelhouders dienen niet tot elkaar veroordeeld te blijven. Eerder is in de juridische literatuur al eens geopperd dat een enkele patstelling al voldoende zou moeten zijn voor het kunnen uittreden als aandeelhouder, maar nu wordt dit standpunt ook door deze uitspraak bevestigd. De conclusie dat in zulke situaties een aandeelhouder via de geschillenregeling moet kunnen uittreden, lijkt mij de juiste. De wetgever is nu aan zet. Indien u naar aanleiding van deze blog vragen heeft, of indien u zelf een aandeelhoudersgeschil heeft, neem dan contact op met onze specialist Philip Vroegrijk op 06-25695963 of vroegrijk@rassers.nl.