Onze updates -

Nieuws

  • 80 resultaten
  • Reset filters
8 jan. 2020

Bestuurder niet aansprakelijk maar toch geen kostenvergoeding

Hoofdregel van ons procesrecht is dat de partij die in de procedure ongelijk krijgt, niet alleen zijn eigen proceskosten maar ook die van de wederpartij moet dragen. Dat kan anders zijn in speciale gevallen, bijvoorbeeld bij nodeloze kosten. Dat kwam bestuurders duur te staan in een procedure waarbij de curator hen aansprakelijk stelde voor het boedeltekort van de failliete vennootschap. Omdat die bestuurders nalieten om tijdig opheldering te geven over de oorzaken van het faillissement en informatie aan te curator te geven, zag de curator zich genoodzaakt om dan maar een procedure tegen hen te starten. Zo tegen het einde van de procedure kwam eindelijk het bewijs boven tafel en bleken er andere oorzaken voor het faillissement te zijn dan bestuurdersaansprakelijkheid. Maar toen was men al bijna aan het einde van de dure procedure. Hoewel de rechtbank de bestuurder dus niet aansprakelijk oordeelde, en de curator de procedure verloor, krijgen de bestuurders hun eigen kosten niet vergoed. Ze hadden volgens de rechtbank veel eerder de informatie en het bewijs moeten verstrekken (dan was een procedure ook niet nodig geweest). Zie verder mijn juridische analyse in het tijdschrift Rechtspraak Insolventie 2019/96 en Rechtspraak Ondernemingsrecht 2019/72[link]

7 jan. 2020

Schadevergoeding voor student na negatief bindend studieadvies

Afgelopen najaar is een interessante uitspraak gepubliceerd van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam over het recht op schadevergoeding voor een student na een onterecht verkregen negatief bindend studieadvies (“bsa”) [zie Rechtbank Amsterdam, 19 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:5247]. Een van de weinige uitspraken over deze materie! Negatief bindend studieadvies De student in kwestie studeerde aan de Hogeschool van Amsterdam (“HvA”) en kreeg in zijn tweede collegejaar een negatief bindend studieadvies. Hiertegen heeft de student geprocedeerd. Tijdens de hoger beroepsprocedure bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (“CBHO”) heeft de HvA verklaard dat zij het negatief bindend studieadvies heeft ingetrokken. Desondanks liep de student wel een studievertraging op van één jaar. En daarmee ook een vertraging voor de toetreding tot de arbeidsmarkt en dus één jaar inkomsten uit arbeid. Volgens de student dient de HvA deze schade te vergoeden, en wel overeenkomstig de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Beoordeling kantonrechter Niet in geschil is dat de HvA met het geven van een negatief bsa onrechtmatig jegens de student heeft gehandeld. De HvA is dan ook gehouden de schade die de student heeft geleden als gevolg van dit onrechtmatige handelen, aan de student te vergoeden. Ter beoordeling stond daarom onder meer wat de omvang was van de door de student geleden schade. In dit verband stelt de HvA dat de student zijn schade had kunnen beperken door het door de HvA voorgelegde studieplan te volgen. De student had hiermee een half jaar kunnen “inlopen”, maar heeft hiervan afgezien. De kantonrechter deelt dit standpunt van de HvA is daarom van oordeel dat de schade als gevolg van de studievertraging voor de helft (dus voor een half jaar) voor rekening van student dient te blijven. De HvA brengt ook nog in dat student gedurende het jaar dat hij zijn opleiding niet kon volgen, heeft gewerkt als nachtreceptionist en daarmee inkomsten heeft vergaard. De kantonrechter vindt het (kort gezegd) niet redelijk dat deze inkomsten van student volledige moeten worden verrekend met de HvA en zal de verkregen inkomsten daarom slechts voor een deel met de geleden schade verrekenen. Bij gebrek aan andere reële aanknopingspunten oordeelt de kantonrechter tot slot dat -onder verwijzing naar artikel 6:97 BW- inderdaad aansluiting kan worden gezocht bij de Letselschade Richtlijn Studievertraging. Deze Richtlijn gaat uit van een normbedrag van EUR 19.800,-- per jaar studievertraging op HBO-niveau. Hoogte schadevergoeding In onderhavige zaak is het normbedrag van de Richtlijn gehalveerd en daar is vervolgens nog een redelijk bedrag aan inkomsten van afgetrokken. De HvA is uiteindelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 6.900,-- aan schadevergoeding aan de student, ten gevolge van het onterechte verkregen negatief bsa. Tot slot Heeft u vragen over bovenstaande materie of over andere aspecten van het onderwijsrecht? Dan kunt u contact opnemen met Mischa Mackaaij, e-mail mackaaij@rassers.nl , telefoonnummer 076-5 136 133.

12 dec. 2019

Wangedrag ouders: mag een school om die reden een leerling verwijderen?

Om maar meteen met de hoofdregel te beginnen: ja, dat mag. Maar, tot verwijdering van een leerling wegens het gedrag van ouders kan slechts in zeer uitzonderlijke gevallen worden overgegaan. Namelijk, indien de feiten op grond waarvan de verwijdering plaatsvindt, zó ernstig zijn dat zij een verwijdering rechtvaardigen en er in redelijkheid geen alternatieve oplossing meer mogelijk is. Alle betrokken belangen en relevante omstandigheden dienen hierbij te worden meegewogen. Aanleiding voor deze blog is een uitspraak van de Geschillencommissie passend onderwijs (hierna: “de Geschillencommissie”) van 26 juli 2019 (publicatienummer 108814). In deze zaak heeft de VO-school een van haar leerlingen verwijderd met als reden ‘vertrouwensbreuk met ouders’. Ouders zijn het hier niet mee eens en hebben zich daarom tot de Geschillencommissie gewend. Wat speelde er? Op school was sprake van een pestproblematiek bij een leerling. De ouders van deze leerling maakten zich hier zorgen om en stuurden de school hierover een reeks e-mailberichten in beschuldigende bewoording. De school voelde zich hierdoor beperkt in haar pedagogisch handelen. Nadat diverse gesprekken hebben plaatsgevonden tussen ouders en school, spreken ouders en school een ‘time-out’ af voor wat betreft de e-mailberichten van ouders aan school. Een dag na deze afspraak sturen ouders alweer een e-mail aan school. De school zoekt vervolgens een nieuwe school voor de leerling. Deze nieuwe school is bereid de leerling toe te laten. Om dit te bespreken worden ouders uitgenodigd voor een gesprek. Deze afspraak wordt twee keer door ouders afgezegd. Omdat school vindt dat er een onwerkbare situatie is ontstaan (de uitingen van ouders hadden een intimiderend effect op haar medewerkers) en de ouders gesprekken over een nieuwe school uit de weg bleven gaan, besloot de school tot verwijdering van de leerling, met als reden: “vertrouwensbreuk met ouders”. Ook het samenwerkingsverband stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een vertrouwensbreuk tussen ouders en school en een overstap naar een nieuwe school het beste zou zijn voor de leerling. Wat vindt de Geschillencommissie hiervan? De Geschillencommissie vindt de maatregel van school té vergaand. De school had ouders duidelijker kenbaar kunnen maken welke impact het gedrag van ouders had op het team op school. Hoewel de school zeker inspanningen heeft geleverd om te komen tot een werkbare situatie, is voor ouders onvoldoende duidelijk geweest welke consequenties hun onveranderde gedrag zou hebben. De school had ouders een expliciete, schriftelijke waarschuwing dienen te geven dat als ouders hun gedragingen niet zouden staken, zij zich genoodzaakt zou zien om desnoods een procedure te starten tot verwijdering van de leerling van school. Het verwijderingsbesluit is nu onvoorzien geweest. De Geschillencommissie oordeelt het verzoek van ouders gegrond en adviseert school om de leerling weer toe te laten. Heeft u vragen over bovenstaande materie of over andere aspecten van het onderwijsrecht? Dan kunt u contact opnemen met Mischa Mackaaij, e-mail mackaaij@rassers.nl , telefoonnummer 076-5 136 133.

4 dec. 2019

De perikelen rondom het Cornelius Haga Lyceum

Het Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam is het afgelopen jaar regelmatig in het nieuws geweest. Zo kopte de NOS op 8 maart van dit jaar: ‘’Kabinet dreigt islamitische school met sluiting, Rutte raadt school af’’ en op 11 juli van dit jaar: ‘’Slob: geldkraan dicht als bestuur Haga Lyceum niet opstapt.’’ In deze blog wordt bekeken wat er nu allemaal speelt rondom deze school en wat de juridische consequenties hiervan zijn. Kan de overheid inderdaad besluiten een middelbare school geen bekostiging meer toe te kennen? Voordat het Cornelius Haga Lyceum nader wordt bekeken is het goed om eerst het verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs duidelijk te hebben. Bijzonder onderwijs betreft scholen die les geven op basis van een bepaalde richting. Deze richting kan een godsdienst, levensovertuiging of visie op het onderwijs zijn. Openbare scholen zijn niet gebaseerd op een bepaalde richting en de overheid moet ervoor zorgen dat er voldoende openbare scholen in een gemeente zijn. Wat houdt het recht op onderwijsbekostiging in? In artikel 23 lid 7 Grondwet staat opgenomen dat: ‘’Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.’’ Dit artikel garandeert dus een gelijke overheidsbekostiging van het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs dat aan bij de wet te stellen voorwaarden voldoet. Hoewel lid 7 geen beperkingen stelt aan de inhoud van de bekostigingsvoorwaarden, is aan te nemen dat deze voorwaarden ook de vrijheid van richting en oprichting in acht moeten nemen. Bekostiging is dus een grondwettelijk recht en de voorschriften zijn bij wet geregeld. Wat voor school is het Cornelius Haga Lyceum? Het Cornelius Haga Lyceum is een bijzondere school voor voortgezet onderwijs op Islamitische grondslag. De Stichting Islamitisch Onderwijs Nederland (hierna te noemen: SIO) vormt het bevoegd gezag van deze school. Omdat het een bijzondere school voor voortgezet onderwijs betreft, is de Wet op het voorgezet onderwijs van toepassing (hierna te noemen: Wvo). In de Wvo zijn bepalingen opgenomen met betrekking tot de onderwijsbekostiging. Een van de wettelijke voorschriften omtrent de bekostiging is neergelegd in artikel 104 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs. Hieruit volgt dat de minister de bekostiging geheel of gedeeltelijk kan inhouden dan wel opschorten wanneer het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met de Wet op het voortgezet onderwijs. De Onderwijsinspectie heeft een rapport uitgebracht over deze school waaruit, volgens de minister, de volgende misstanden zouden blijken: Er zou sprake zijn van ernstige nalatigheid om maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de kwaliteit en goede voortgang van het onderwijs aan de school; Er zou sprake zijn van ongerechtvaardigde verrijking van de rechtspersoon die de school in stand houdt; Er zou sprake zijn van financieel wanbeleid. De minister stelt zich, onder geleiding van het rapport van de Onderwijsinspectie, op het standpunt dat er sprake is van wanbeheer bij het Cornelius Haga Lyceum. Om deze reden heeft de minister SIO een aanwijzing in de zin van artikel 103g lid 1 Wvo gegeven. Deze aanwijzing hield in dat het bestuur van de school binnen vier weken na dagtekening van de aanwijzing al zijn taken en bevoegdheden moest overdragen aan een interim-bestuur. (Over de rechtmatigheid van deze aanwijzing gaat de rechtbank van Amsterdam zich nog buigen.) Het Cornelius Haga Lyceum heeft de aanwijzing niet opgevolgd. Daarop besloot de minister op 15 oktober jl. de bekostiging van de onderhavige school per 1 december van 2019 te beëindigen. De minister is direct overgegaan tot volledige inhouding van de bekostiging, omdat hij het niet-naleven van de aanwijzing als zeer ernstig beschouwt, maar mocht hij dit zomaar doen? SIO heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Mocht de minister de bekostiging van deze school stop zetten? Op 22 november jl. heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een voorlopig oordeel gegeven in deze zaak (ECLI:NL:RVS:2019:3949). In r.o. 7.4 van de uitspraak overweegt de Afdeling dat bij het stopzetten van de bekostiging van het Cornelius Haga Lyceum de minister zich niet aan zijn eigen beleidsregels heeft gehouden. Het besluit tot inhouding van de bekostiging is in strijd met de Beleidsregel financiële sancties bij bekostigde onderwijsinstellingen (https://wetten.overheid.nl/BWBR0031665/2013-08-01). Uit deze beleidsregel vloeit namelijk voort dat alleen tot volledige inhouding van de bekostiging kan worden overgegaan als aan de volgende vereisten is voldaan: De bekostiging moet eerst voor 15% zijn opgeschort; daarna, na drie maanden, moet de bekostiging voor 15% zijn ingehouden; en daarna, na weer drie maanden, moet de bekostiging voor 30% zijn ingehouden; en als het bestuur dan nog altijd niet aan de wettelijke voorschriften voldoet. In het onderhavige geval heeft de minister dus geen toepassing gegeven aan de door hemzelf geformuleerde beleidsregels. Op de zitting heeft de minister gemotiveerd dat hij van deze beleidsregel is afgeweken omdat de beleidsregels alleen zou toezien op het niet-naleven van wettelijke voorschriften en het hier gaat om het niet-naleven van een aanwijzing. De voorzieningenrechter gaat hier niet in mee en schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de minister. Volgens de voorzieningenrechter mocht de minister de bekostiging van deze school dus niet zomaar stopzetten. De minister wordt hier aardig terug gefloten, maar of het oordeel ook stand houdt in de bodemprocedure moet nog af worden gewacht. Indien u nader geïnformeerd wilt worden over dit onderwerp dan kunt u contact opnemen met Lieke Prinsen, per e-mail (prinsen@rassers.nl) of telefonisch op nummer 076-5 136 121.

12 nov. 2019

Slapende dienstverbanden en werkgevers klaarwakker door uitspraak Hoge Raad

We adviseren werkgevers nog deze maand actie te ondernemen; we leggen hierna uit waarom ...........................................................................................................................