Onze updates -

Nieuws

  • 99 resultaten
  • Reset filters
31 jul. 2020

De nakoming van toezeggingen van bestuursorganen in de praktijk

Ruim een jaar geleden heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State haar jurisprudentie over de werking van het vertrouwensbeginsel ingrijpend gewijzigd. De Afdeling overwoog dat een toezegging van een bouwinspecteur en andere ambtenaren aan een vrouw uit Amsterdam het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat het gemeentebestuur van Amsterdam in haar geval niet handhavend zou optreden tegen het niet in overeenstemming met de vergunning aanwezige dakterras. Op deze uitspraak en de daaruit voortvloeiende jurisprudentiewijziging ben ik uitgebreid in een eerdere blog ingegaan. Kort gezegd dienen volgens de Afdeling voor het antwoord op de vraag of een bestuursorgaan een toezegging dient na te komen de volgende stappen doorlopen te worden: 1. Is er sprake van een toezegging? 2. Zo ja, kan deze worden toegerekend aan het bevoegde bestuursorgaan? 3. Zo ja, zijn er zwaarder wegende belangen die zich verzetten tegen honorering van het met de toezegging gewekte vertrouwen? Zo ja, dan moet beoordeeld worden of de benadeelde aanspraak heeft op enige vorm van compensatie. In het afgelopen jaar heeft de Afdeling meerdere uitspraken over het vertrouwensbeginsel gedaan waarbij zij haar nieuwe jurisprudentie heeft toegepast. In dit kader wordt gewezen op uitspraken van 12 februari 2020 en 22 april 2020 waarin de Afdeling oordeelde dat door de betrokkene een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kon worden gedaan. Het bijzondere aan deze uitspraken is dat nakoming van de toezeggingen een bestuursorgaan in beide uitspraken zou verplichten tot handelen in strijd met de wet. Dit doet de vraag rijzen in hoeverre voor het bestuursorgaan de verplichting bestaat om de gedane toezeggingen ook daadwerkelijk na te komen. In een uitspraak van 10 juni 2020 gaat de Afdeling uitgebreid in op de derde stap. In die zaak stond niet ter discussie dat het bestuursorgaan het gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat de gevraagde omgevingsvergunning voor een cafetaria zou worden verleend. Het bestuursorgaan zag daarin evenwel geen reden de vergunning ook daadwerkelijk te verlenen, nu in dat geval van de gemeentelijke beleidsregel afgeweken zou moeten worden. Het college motiveert in dit verband dat het algemeen belang bij handhaven van het bestemmingsplan en het voorkomen van ongewenste precedentwerking zich verzetten tegen het verlenen van een omgevingsvergunning. Aangezien de betrokkene naar aanleiding van de toezeggingen van het bestuursorgaan investeringen had gedaan, heeft het college besloten om aan deze betrokkene een schadevergoeding toe te kennen. De Afdeling overweegt: "Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of de betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming." Volgens de Afdeling mocht het bestuursorgaan in dit geval volstaan met het toekennen van een schadevergoeding en was het bestuursorgaan niet verplicht de toezeggingen na te komen door de gevraagde vergunning te verlenen. De Afdeling betrekt in haar overweging dat volgens haar de betrokkene geen redenen heeft aangevoerd waarom het college niet mocht volstaan met het toekennen van een schadevergoeding. Uit deze uitspraak volgt kortom dat het bestuursorgaan ondanks de toezeggingen die zijn gedaan niet verplicht is een vergunning te verlenen. Een weigering om de vergunning te verlenen kan standhouden, onder de voorwaarde dat het bestuursorgaan zijn besluit goed motiveert, bijvoorbeeld aan de hand van het gemeentelijk beleid, en mits degene aan wie de toezeggingen zijn gedaan wordt gecompenseerd voor geleden schade. Vraag is wel hoe de jurisprudentie zich op dit onderdeel gaat ontwikkelen. Het zou namelijk niet de bedoeling moeten zijn dat de Afdeling vorig jaar voor burgers de deur op een kier heeft gezet en bestuursorganen eerder heeft willen binden aan uitlatingen van bestuurders en ambtenaren, maar deze deur vervolgens volledig dichtgooit bij de feitelijke nakoming van de toezeggingen door te overwegen dat bestuursorganen, mits voldoende gemotiveerd, kunnen volstaan met uitsluitend de toekenning van een schadevergoeding. Indien u nader geïnformeerd wilt worden over dit onderwerp dan kunt u contact opnemen met Elke Wouters, per e-mail wouters@rassers.nl of telefonisch op nummer 076-5 136 175, dan wel met de andere advocaten van de sectie Overheid en Bestuursrecht.

13 jul. 2020

De gevolgen van het pensioenakkoord: deel III

In mijn vorige bijdragen heb ik stilgestaan bij een aantal onderdelen van het pensioenakkoord, te weten de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd in combinatie met het pensioenontslagbeding en daarnaast de versoepeling van de RVU-heffing om werknemers eerder te laten stoppen met werken.

30 jun. 2020

De belangrijkste wijzigingen van de NOW 2.0

Ondernemers hebben de weg naar de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW) inmiddels gevonden, zo blijkt uit de cijfers. Tot op heden zijn er maar liefst 138.586 subsidies toegekend, waar 2,5 miljoen werknemers bij betrokken zijn

12 jun. 2020

Philip Vroegrijk per 1 juli 2020 benoemd tot partner

Philip Vroegrijk wordt per 1 juli 2020 partner bij Rassers Advocaten. Philip is zijn carrière in 2008 begonnen bij AKD in Breda. Na aldaar vier jaar te hebben gewerkt, is hij overgestapt naar een middelgroot advocatenkantoor. Daar heeft hij enkele jaren gewerkt in de insolventiepraktijk en is zich vervolgens steeds meer gaan bezighouden met het ondernemingsrecht. Philip heeft in dit verband de Grotius-opleiding Vennootschap- en Ondernemingsrecht gevolgd en met succes afgerond. Op 1 januari 2016 heeft hij de overstap naar Rassers Advocaten gemaakt. Philip heeft zich bij Rassers Advocaten verder gespecialiseerd in aandeelhoudersgeschillen, bestuurdersaansprakelijkheid, overnamegeschillen en procedures voor de Ondernemingskamer. In deze praktijk komt zijn insolventieachtergrond en zijn financiële kennis goed van pas. Philip zal de komende jaren gaan werken aan een verdere uitbouw van de litigationpraktijk van Rassers Advocaten. Rassers Advocaten is zeer verheugd met deze benoeming en wenst hem veel succes in zijn nieuwe rol.“

10 jun. 2020

Wat betekent een onttrekkingsverbod van water voor uw bedrijf?

De effecten van de aanhoudende droogte de afgelopen periode zijn voor iedereen goed merkbaar geweest. Ondanks de neerslag van afgelopen week hebben we op dit moment te maken met het hoogst gemeten neerslagtekort voor deze tijd van het jaar sinds het begin van de metingen. In deze blog wordt uiteengezet wat deze droogte en de maatregelen daaromtrent betekenen voor uw agrarisch bedrijf. Op landelijk niveau is per 25 mei officieel opgeschaald naar niveau 1 ‘dreigend watertekort’. Daarnaast hebben verscheidene waterschappen onttrekkingsverboden ingesteld. Ook voor veel locaties in West-Brabant is door Waterschap De Brabantse Delta een onttrekkingsverbod ingesteld. Dit is vrij uitzonderlijk zo vroeg in het jaar. Wat is een onttrekkingsverbod? In het gebied van Waterschap De Brabantse Delta staat het uw bedrijf vrij water te onttrekken uit oppervlaktewateren tot een hoeveelheid van 100 m3 water per uur. In dat geval valt u ingevolge artikel 13.1. van de Keur onder de vrijstelling van de vergunningsplicht. Boven de 100 m3 water per uur kunt u alleen water onttrekken uit oppervlaktewateren met een vergunning. In de huidige droge periode wilt het Waterschap onttrekking uit de oppervlaktewateren zo veel mogelijk voorkomen. Het is namelijk van belang om voldoende watervoorraad te behouden voor de warme en droge periode die nog komt. Lage waterstanden kunnen schade aan oevers en kades aanrichten. Daarnaast bestaat de kans op een verslechtering van de waterkwaliteit, doordat door de hoge buitentemperatuur het water opwarmt. Dit zorgt op zijn beurt weer voor minder zuurstof in het water wat kan leiden tot dode planten en dieren. Vanwege bovenstaande redenen is grote schaarste aan water een bijzondere omstandigheid waarbij Waterschap de Brabantse Delta op grond van artikel 3.13 van de Keur locaties kan aanwijzen waarvoor een onttrekkingsverbod geldt. Wanneer het Waterschap het gebied aanwijst waar uw bedrijf is gevestigd dan mag uw bedrijf geen oppervlaktewater onttrekken, ook niet als uw bedrijf in het bezit is van een vergunning. Er bestaan twee soorten onttrekkingsverboden: - Een verbod op grasland; - Een totaalverbod. Een verbod op grasland betekent dat het onttrekkingsverbod geldt voor de beregening van grasland uit oppervlaktewater. Een totaalverbod houdt in dat er een totaal onttrekkingsverbod uit oppervlaktewater is. Op onderstaande kaart is voor de regio West-Brabant weergegeven op welke locaties op dit moment een verbod geldt: