Onthouden van zogenoemde ‘corporate opportunities’

Een vast omlijnde definitie van een corporate opportunity kent ons recht niet. In rechtspraak wordt een corporate opportunity omschreven als een mogelijkheid die zich voor de vennootschap voordoet om een transactie aan te gaan of zakelijke activiteiten te ontplooien die passen binnen het kader van haar bedrijfsvoering en waarvan kenbaar is dat de vennootschap daar een redelijk belang bij heeft. Die plicht is niet in de wet opgenomen. Maar: uit art. 2:9 BW en art. 2:8 BW vloeit voort dat een bestuurder een corporate opportunity dient aan te wenden ten behoeve van de vennootschap (en niet zichzelf). Als hij dat niet doet, schiet de bestuurder tekort in de uitoefening van de hem wettelijk opgedragen taak tot behoorlijk bestuur en kan hij aansprakelijk zijn. Het bestuur kan dus worden aangesproken op het laten vallen van een corporate opportunity niet bij de vennootschap maar een andere vennootschap of onderneming. 

Uit rechtspraak blijkt dat getoetst moet worden aan de volgende omstandigheden of er sprake is van een corporate opportunity:

(i)    vergelijking van missies en de terreinen waarop de ondernemingen zich begeven;

(ii)   of en in hoeverre de door de vennootschap daadwerkelijk ontplooide activiteiten aansloten bij de activiteiten van de nieuwe onderneming;

(iii)   of de nieuwe onderneming voordeel trok uit de kennis en ervaring die de bestuurders/aandeelhouders bij de vennootschap hadden opgedaan en

(iv)   of de vennootschap nadeel ervan ondervond doordat de bestuurders/aandeelhouders energie staken in de nieuwe onderneming.

 

Men dient dus te toetsen of en in hoeverre in een specifiek geval hier aan in voldaan. Onlangs oordeelde de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam dat er geen sprake was van onthouden van corporate opportunities. Daar hadden twee bestuurders die beiden ook aandeelhouders waren van een al bestaande vennootschap samen een nieuwe vennootschap hadden opgericht waarbij de derde aandeelhouder van de bestaande vennootschap niet betrokken was. De twee bestuurders lieten nieuwe opdrachten vallen in de nieuwe vennootschap (die daarvan profiteerde) en niet in de bestaande vennootschap. In dat geval was aan de omstandigheden (i) en (ii) wel voldaan maar aan (iii) en (iv) niet omdat die bestuurders al de kennis hadden voordat de bestaande vennootschap werd opgericht (iii) en de samenwerking bij de bestaande vennootschap al was opgezegd waardoor omstandigheid (iv) niet meer aan de orde zou kunnen zijn. Overigens waren hier de twee bestuurders/aandeelhouders wel aansprakelijk op andere gronden ten opzichte van de derde aandeelhouder, maar dat laat ik hier onbesproken.

 

Zie ook mijn bespreking van de beschikking van de Ondernemingskamer van 1 mei 2019 in het tijdschrift Rechtspraak Ondernemingsrecht RO 2019/44

 

 

Annemarie Beljaars
Annemarie Beljaars

Annemarie Beljaars

Advocaat / Partner

“Of het nu om een overname of geschilprocedure gaat: ik sta een cliënt bij in spannende tijden. De kunst is dan om rust en vertrouwen uit te stralen en dat vertrouwen waar te maken. In de vorm van een resultaat dat zowel juridisch als commercieel zo goed mogelijk uitpakt.”

Categorieën