Ondernemingskamer lijkt alvast aansluiting te zoeken bij wetsvoorstel geschillenregeling

Een tijdje terug schreef ik deze blog (link) over een wetsvoorstel dat de uittreding en uitstoting van een aandeelhouder makkelijker maakt. De Ondernemingskamer lijkt hier in een recente uitspraak en in afwachting van implementatie van dit wetsvoorstel alvast aansluiting bij te zoeken.

Inleiding

Voor geschillen tussen aandeelhouders van een besloten vennootschap kent de wet een geschillenregeling in artikel 2:343 BW. Op grond van de uittredingsregeling kan een aandeelhouder de rechter verzoeken uit de B.V. te mogen treden en zijn medeaandeelhouders dan wel de vennootschap te verplichten om zijn aandelen over te nemen. Tevens kan men op grond van de uitstotingsregeling de rechter verzoeken een aandeelhouder de vennootschap uit te stoten. De ervaring leert echter dat rechtbanken in het algemeen terughoudend zijn met het toepassen van deze regeling. De gronden waarop uittreding en uitstoting worden toegewezen zijn beperkt en rechtbanken stellen te hoge eisen.

Het wetsvoorstel beoogt deze gronden te verruimen. Hierdoor zou het makkelijker moeten worden om als aandeelhouders van elkaar af te komen, door ofwel uittreding ofwel uitstoting. Zo wordt de maatstaf voor uittreding vereenvoudigd door het element ‘redelijkheid en billijkheid’ toe te voegen, waarmee een beknelde minderheidsaandeelhouder sneller een exit kan maken. Door invoering van dit wetsvoorstel wordt de drempel voor een gang naar de rechter lager en hoeven aandeelhouders zo niet langer tot elkaar veroordeeld te zijn.

Toepassing in de praktijk

De Ondernemingskamer lijkt in haar uitspraak van 24 september 2019[1] al rekening  te houden met deze aankomende versoepeling van de geschillenregeling. Deze zaak ging kort gezegd om een vordering tot uittreding van een aandeelhouder in het kader van de nasleep van een conflictueuze echtscheiding. Volgens de Ondernemingskamer had de nasleep van de echtscheiding een dusdanige weerslag op de wijze van omgang binnen de vennootschap, dat geen sprake meer was van een constructieve samenwerking tussen de man en vrouw als bestuurders van de vennootschap. Dit heeft geleid tot een patstelling nu zij evenveel zeggenschap op bestuursniveau hadden. De man heeft daarbij de vrouw een aantal maal onterecht buiten spel gezet. Volgens de Ondernemingskamer kon van de vrouw niet langer worden gevergd dat zij aandeelhouder van de vennootschap bleef. De vordering werd dus toegewezen en de man diende de aandelen van de vrouw over te nemen.

Conclusie

In deze toepassing is duidelijk te zien dat de Ondernemingskamer met een redelijk eenvoudige beargumentering oordeelt dat een verdere samenwerking tussen de aandeelhouders niet wenselijk is. Simpel gezegd, er is een overduidelijke patstelling, dus de aandeelhouders dienen niet tot elkaar veroordeeld te blijven. Eerder is in de juridische literatuur al eens geopperd dat een enkele patstelling al voldoende zou moeten zijn voor het kunnen uittreden als aandeelhouder, maar nu wordt dit standpunt ook door deze uitspraak bevestigd. De conclusie dat in zulke situaties een aandeelhouder via de geschillenregeling moet kunnen uittreden, lijkt mij de juiste. De wetgever is nu aan zet. 

 

Indien u naar aanleiding van deze blog vragen heeft, of indien u zelf een aandeelhoudersgeschil heeft, neem dan contact op met onze specialist Philip Vroegrijk op 06-25695963 of vroegrijk@rassers.nl.

 

 

 

[1] ECLI:NL:GHAMS:2019:3555

Philip Vroegrijk
Philip Vroegrijk

Philip Vroegrijk

Advocaat

“Juridische kennis en analytisch vermogen zijn onmisbaar voor een advocaat. Maar het verschil maak je door strategisch en tactisch slim op te treden.”

Categorieën