Onze updates -

Nieuws algemeen

  • 132 resultaten
  • Reset filters
7 mei 2021

Praktisch Procederen - Kort geding

In de nieuwe serie “Praktisch Procederen” nemen de procesadvocaten van de sectie ondernemingsrecht van Rassers Advocaten u mee in de wereld van het procesrecht. In de serie gaan we in op belangrijke onderwerpen van het procesrecht en geven we tips voor de praktijk. De tweede blog van onze nieuwe blogreeks gaat over het kort geding. De kortgedingprocedure is een relatief snelle procedure en biedt uitkomst in gevallen waarin niet het resultaat van een langer durende bodemprocedure kan worden afgewacht. In welke situaties kan een kort geding worden gestart, wat zijn de verschillen met de bodemprocedure en wat kun je met een kort geding bereiken? In deze blog gaan wij nader op deze vragen in. Wanneer een kort geding? Een kort geding is bedoeld voor spoedeisende geschillen waarin relatief snel een oplossing nodig is. Voor het starten van een kort geding heeft de eisende partij dan ook een spoedeisend belang nodig. Of een spoedeisend belang aanwezig is, moet worden beoordeeld op basis van een afweging van de belangen van partijen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin een van de partijen zich niet houdt aan een non-concurrentiebeding of het geval waarin een minderheidsaandeelhouder in een vennootschap probeert een verbod te vorderen op de uitvoering van een aandeelhoudersbesluit. Verschillen met een bodemprocedure Een verschil met de bodemprocedure is dat in een kort geding in principe geen ruimte bestaat voor bewijslevering, zoals het horen van getuigen of deskundigenbewijs. Dit omdat een kort geding is bedoeld om een voorlopige beslissing te krijgen vooruitlopend op een eventuele bodemprocedure. In de bodemprocedure gaat de rechter dieper op de materie in. Hier schuilt ook meteen een risico in, want het kan voorkomen dat een rechter tot het oordeel komt dat de zaak feitelijk en juridisch te complex is voor een kort geding. Omdat het kort geding is bedoeld voor het verkrijgen van een snelle oplossing en omdat geen ruimte bestaat voor bewijslevering, is de doorlooptijd aanzienlijk korter. Waar een bodemprocedure gemiddeld genomen maanden tot jaren kan duren, afhankelijk van de aard en complexiteit van de procedure, kan bij een kort geding veel sneller een vonnis worden gekregen. Gemiddeld genomen duurt een kort geding enkele weken tot enkele maanden. In extreem spoedeisende gevallen zou zelfs binnen enkele uren een (mondeling) oordeel van een rechter kunnen worden verkregen. Een laatste voorbeeld van een verschil met een bodemprocedure gaat over de vraag of u verplicht bent om een advocaat in te schakelen om de procedure te kunnen voeren. In een bodemprocedure moet een partij zich verplicht laten bijstaan door een advocaat, tenzij sprake is van een kantonzaak. Bij een kort geding voor de kantonrechter zijn geen advocaten nodig en bij een kort geding voor de normale civiele rechter heeft alleen de eisende partij een advocaat nodig en de gedaagde partij dus niet, tenzij die gedaagde partij een tegenvordering zou willen indienen. Wat kun je bereiken met een kort geding? Een kort geding is bedoeld om een voorlopige voorziening te verkrijgen. Denk hierbij aan een veroordeling tot een geven, doen of nalaten. Voorbeelden hiervan zijn een vordering tot nakoming van gemaakte afspraken of een gebod of juist verbod om bepaalde handelingen te verrichten (zoals het staken van een inbreuk op een non-concurrentiebeding), zo nodig op straffe van verbeurte van een dwangsom. In kort geding kunnen geen vonnissen worden gewezen op grond waarvan een nieuwe rechtstoestand wordt gecreëerd of opgeheven (bijvoorbeeld de ontbinding of vernietiging van een overeenkomst) of op grond waarvan een nieuwe rechtstoestand wordt vastgesteld (bijvoorbeeld een verklaring voor recht dat een overeenkomst is vernietigd). Het vorderen van betaling van een geldbedrag in kort geding is over het algemeen lastig. Een vordering moet voldoende aannemelijk zijn, dus als de geldvordering inhoudelijk wordt betwist dan leent de vordering zich vaak niet voor kort geding. Verder moet sprake zijn van een spoedeisend belang, waardoor de eiser zal moeten onderbouwen waarom deze niet een bodemprocedure kan afwachten. Dat zou het geval kunnen zijn als de eisende partij zonder het geldbedrag in een financiële noodsituatie terecht komt. Ook geldt als vereiste dat het restitutierisico (het risico dat de eisende partij het op grond van het vonnis ontvangen bedrag na een bodemprocedure niet meer kan terugbetalen) laag moet zijn. Tot slot Met het voorgaande hebben wij enkele belangrijke punten over het kort geding aan de orde willen stellen. Heeft u nu zelf een dagvaarding voor een kort geding ontvangen of denkt u er juist aan om zelf een kort geding te beginnen en/of heeft u naar aanleiding van deze blog nog vragen? Neem dan gerust contact op met een van de procesadvocaten van de sectie ondernemingsrecht

20 apr. 2021

Kifid: ook vrije advocaatkeuze als het niet tot een rechtszaak komt

Wanneer een beroep wordt gedaan op de rechtsbijstandverzekering, zal doorgaans een rechtshulpverlener van de verzekeraar zelf de verzekerde juridisch bijstaan. In sommige gevallen heeft een verzekerde echter het recht om zelf een rechtshulpverlener te kiezen, namelijk op het moment dat er een gerechtelijke of een administratieve procedure moet worden gestart. Dit heet de Vrije Keuze Rechtshulpverlener (VKR), in de volksmond ook wel vrije advocaatkeuze genoemd. In een recente uitspraak van de Geschillencommissie van het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) vorderde een verzekerde van DAS Rechtsbijstand een vergoeding voor de gemaakte advocaatkosten. Deze verzekerde was als atlete geïnterviewd voor het tijdschrift van de Nederlandse Triatlonbond. Het gepubliceerde artikel stond vol met onwaarheden en foute citaten, met als gevolg reputatieschade en derving van inkomsten voor de atlete. Met verwijzing naar het recht op vrije advocaatkeuze schakelde deze atlete een advocaat in die is gespecialiseerd in sportrecht, om daarmee rectificatie en een schadevergoeding te eisen. Rechtsbijstandverzekeraar DAS weigerde de advocaatkosten te vergoeden, omdat het niet tot een procedure kwam. Er was sprake van buitengerechtelijke werkzaamheden, waarvoor het recht op vrije advocaatkeuze niet zou gelden. De atlete besloot om zich hier niet bij neer te leggen en beklaagde zich bij Kifid. Ruime uitleg ‘gerechtelijke procedure’ De Geschillencommissie van Kifid gaat niet mee in de redenering van de rechtsbijstandverzekeraar en besluit de vordering van de atlete toe te wijzen. Zij ziet in de uitspraak van het Europese Hof van Justitie van 14 mei 2020 in een Belgische zaak voldoende aanknopingspunten om onder een ‘gerechtelijke procedure’ ook het verrichten van buitengerechtelijke werkzaamheden te verstaan. Volgens de Geschillencommissie heeft deze uitspraak van het Hof gevolgen voor de Nederlandse rechtsbijstandverzekeringspraktijk en dus ook voor deze zaak. Het begrip ‘gerechtelijke procedure’ kan niet worden beperkt door een onderscheid te maken tussen een voorbereidende fase en de besluitfase. In lijn met de uitspraak van het Hof dient dit volgens de Geschillencommissie ruim te worden uitgelegd. Elke fase die kan leiden tot een procedure bij de rechterlijke instantie, zelfs een voorafgaande fase, valt onder het begrip ‘gerechtelijke procedure’. Dit betekent dat een verzekerde, als er een beroep wordt gedaan op de rechtsbijstandverzekering vanwege een conflict, in elke fase die kan leiden tot een procedure bij een rechterlijke instantie een beroep op de vrije advocaatkeuze toekomt. Op grond hiervan heeft de atlete in haar geschil met de Nationale Triatlonbond recht op gefinancierde rechtsbijstand en op vrije advocaatkeuze, ondanks het feit dat er geen sprake is geweest van een gerechtelijke procedure. De verzekeraar moet daardoor de redelijke kosten voor de advocaat tot het kostenmaximum van € 5.000,- aan de verzekerde vergoeden. DAS in beroep tegen de uitspraak Volgens de verzekeraar DAS zal deze verruiming van de vrije advocaatkeuze leiden tot onbetaalbare rechtsbijstandverzekeringen. De verwachting van DAS is dat verzekerden met deze verruiming vaker en eerder een beroep doen op een externe advocaat, die doorgaans (veel) hogere kosten in rekening brengt. Hierdoor raakt het verzekerde bedrag eerder op en blijft er minder geld over om bijvoorbeeld te procederen. DAS heeft dan ook beroep ingesteld tegen de uitspraak bij de Commissie van Beroep Financiële Dienstverlening, die is opgeschort totdat er in dit beroep uitspraak is gedaan. Op dit moment leidt de uitspraak daarom niet tot aanpassingen in de werkwijze van rechtsbijstandverzekeraars. De Geschillencommissie geeft aan zich te realiseren dat deze uitspraak gevolgen kan hebben voor de uitvoering van rechtsbijstandverzekeringen en dat een verzekerde hiermee het risico loopt dat budgetten al grotendeels zijn verbruikt voor het begin van een daadwerkelijke gerechtelijke procedure. Het is dan ook aan rechtsbijstandverzekeraars en advocaten om verzekerden goed te informeren over zowel de mogelijkheden als de risico’s, zodat verzekerden een weloverwogen beslissing kunnen nemen. Daarbij merkt de Geschillencommissie aanvullend op dat de vrije advocaatkeuze al telkens is verruimd in eerdere uitspraken van het Europese Hof van Justitie en dat rechtsbijstandverzekeraars in reactie daarop maatregelen hebben genomen om rechtsbijstandverzekeringen betaalbaar te houden. Het is aan de verzekeraar om hier invulling aan te geven. Volgens de Geschillencommissie mag het feit dat de Nederlandse rechtsbijstandverzekering een zogenaamde naturaverzekering is (dat is een verzekering waarbij de verzekeraar in dit geval direct de rekening voor de gemaakte juridische kosten betaalt), niet leiden tot een beperking voor verzekerden om zelf een advocaat te kiezen in geval van een juridisch conflict. Als deze uitspraak van de Geschillencommissie van Kifid onherroepelijk wordt, kan een verzekerde in principe in elke fase van een conflict aanspraak maken op door de verzekeraar gefinancierde externe rechtshulp. Wij zien de uitkomst van het door DAS ingestelde beroep uiteraard met belangstelling tegemoet en zullen u hier te zijner tijd nader over berichten.

15 apr. 2021

Praktisch Procederen - De dagvaarding

In de nieuwe serie “Praktisch Procederen” nemen de procesadvocaten van de sectie ondernemingsrecht van Rassers Advocaten u mee in de wereld van het procesrecht. In de serie gaan we in op belangrijke onderwerpen van het procesrecht en geven we tips voor de praktijk.

6 apr. 2021

Opgezegd, of toch niet?

Als een werkgever een succesvolle UWV-procedure heeft gevoerd, krijgt hij toestemming om de arbeidsovereenkomst van de werknemer op te zeggen. Als een werkgever te lang wacht met opzeggen of de opzegging de werknemer niet (op tijd) bereikt, kan dit gevolgen hebben voor de geldigheid van de opzegging en dus ook voor de loondoorbetalingsplicht. De kantonrechter in Groningen oordeelde recent over een dergelijke situatie. In deze zaak ging het om een beveiliger van (prostitutie)panden. De werkgever had besloten de exploitatie van zijn onderneming te staken. De werkgever diende daarom een ontslagvergunning in bij het UWV. De werknemer voerde daartegen geen verweer. Het UWV verleende vervolgens op 18 augustus 2020 toestemming voor het ontslag van de werknemer. De werkgever mocht van deze opzeggingsmogelijkheid gebruik maken tot en met 15 september 2020. Daarna zou de toestemming komen te vervallen. De werkgever heeft meteen gehandeld en bij brief van 19 augustus 2020 de arbeidsovereenkomst met de werknemer tegen 1 oktober 2020 opgezegd. Deze brief is zowel per gewone post als per aangetekende post aan de werknemer verzonden. De brievenbus van het bij de werkgever bekende adres was niet (altijd) vanaf de straat toegankelijk. In ieder geval vanaf maart 2020 niet meer. Daardoor werd de post voor dit adres op een ander adres afgegeven, die vervolgens daar op stapeltjes op de trap werd gelegd. Dat de post niet altijd rechtstreeks op het adres van werknemer kon worden afgegeven, wist werkgever. De aangetekende brief kon niet worden afgeleverd en werd ongeopend op 7 september 2020 aan de werkgever geretourneerd. Vanaf 1 oktober 2020 heeft de werkgever geen loon meer betaald. Uiteindelijk is de werknemer pas in januari 2021 op het adres langs gegaan waar de post afgegeven werd. De werknemer begint een procedure bij de kantonrechter en stelt zich op het standpunt dat de brief van 19 augustus 2020 hem niet, althans niet tijdig, had bereikt en dat de ontslagmededeling daardoor geen werking had. Hij wil loondoorbetaling vanaf 1 oktober 2020. De werkgever meent dat het voldoende is dat de opzegging naar een adres is gezonden waarvan hij mocht aannemen dat de werknemer daar kon worden bereikt en dat er daarmee ook aangenomen mocht worden dat de opzegging ook daadwerkelijk was aangekomen. De brief was immers ook per gewone post verzonden. De kantonrechter oordeelt dat op grond van de wet een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt (artikel 3:37 lid 3 BW). Dit is slechts anders als het niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van de eigen handeling van de ontvanger, van de handeling van personen voor wie de ontvanger aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat de ontvanger het nadeel draagt. Omdat de werkgever ermee bekend was dat de post in de regel niet kon worden bezorgd op het aangegeven adres en daarom op een ander adres werd afgegeven, mocht de werkgever er volgens de kantonrechter redelijkerwijs niet van uitgaan dat de voor de werknemer bestemde post hem zou bereiken. Bovendien had de werkgever op de datum dat de aangetekende brief retour kwam zich behoren te realiseren dat de opzegging de werknemer niet had bereikt en had derhalve het nodige moeten ondernemen om alsnog te bewerkstelligen dat de opzegging de werknemer ook daadwerkelijk zou bereiken. De opzegging van een arbeidsovereenkomst heeft een zodanig verstrekkend gevolg voor een werknemer dat deze extra inspanning van de werkgever verwacht had mogen worden, aldus de kantonrechter. Dat de werknemer, die het adres had opgegeven, niet (tijdig) is gaan kijken of er post was voor hem, maakt dat volgens de kantonrechter niet anders. De kantonrechter oordeelt (voorshands) dat aan de opzegging geen gevolgen kunnen worden toegekend, dat de arbeidsovereenkomst daarom nog in stand is en dat de werknemer op grond daarvan aanspraak kan maken op betaling van loon, ook na 1 oktober 2020. Het laten liggen van de geretourneerde aangetekende brief komt de werkgever in deze zaak duur te staan. Het is van essentieel belang om na te gaan of een opzegging een werknemer wel heeft bereikt en om dit vervolgens ook te kunnen bewijzen. Dit kan een werkgever doen door bijvoorbeeld een WhatsApp bericht te sturen met de vraag of de werknemer de brief heeft ontvangen. Ook kan ervoor gekozen worden om de brief door een deurwaarder te laten betekenen. Heeft u vragen over het opzeggen of beëindigen van een arbeidsovereenkomst? Neem dan contact op met één van onze arbeidsrechtadvocaten.

1 apr. 2021

To Do lijst voor de aandeelhouder die ook bestuurder is tegenover een andere aandeelhouder

We zien vaak dat een bedrijf meerdere aandeelhouders heeft en dat een daarvan een bestuurder is en de rest niet. Daarmee is niets mis. Alleen weet die aandeelhouder die ook bestuurder is nu eenmaal meer dan de andere aandeelhouders. Daarmee moet je als aandeelhouder/bestuurder dan wel rekening mee houden. Dan moet je zorgvuldig handelen en de andere aandeelhouders goed op de hoogte houden van de gang van zaken. Dat is helemaal het geval als je als aandeelhouder/bestuurder ook nog belangen hebt bij een ander bedrijf die zaken doet met je bedrijf. Dan moet je extra goed opletten dat er geen belangenverstrengeling ontstaat, of zelfs maar de schijn daarvan. In zo’n geval Geldt: • Schrijf op en leg vast • Leg het uit • En informeer tijdig en volledig de andere aandeelhouders. Dat dat nog wel eens misgaat beschrijf ik in de praktijktip in Rechtspraak Ondernemingsrecht RO 2021/18 bij de uitspraak van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 15 december 2020 [link]