Onze updates -

Nieuws algemeen

  • 22 resultaten
  • Reset filters
11 mrt. 2022

Van Wob naar Woo: de openbaarmakingsplicht

De Woo kent net als de Wob zowel een actieve openbaarmakingsplicht als een passieve openbaarmakingsplicht. Onder de Wob ligt daarbij de focus op de passieve openbaarmakingsplicht. Het initiatief van de openbaarmaking ligt daarbij bij de verzoeker. De Woo brengt hierin verandering. Ook de actieve openbaarmaking van informatie is een speerpunt. Actieve openbaarmakingsplicht De actieve openbaarmakingsplicht voor bestuursorganen is in de Woo uitgebreider ten opzichte van de Wob. De Wob kent juist aan bestuursorganen een grote mate van vrijheid toe om naar eigen inzicht documenten openbaar te maken (actieve openbaarheid). In artikel 3.3 van de Woo is een uitputtende lijst opgenomen met documenten die bestuursorganen uit eigen beweging openbaar moeten maken. Het gaat hier bijvoorbeeld om informatie over de organisatie en werkwijze van het bestuursorgaan, waaronder de taken en bevoegdheden van de organisatieonderdelen. Openbaarmaking moet zo spoedig mogelijk geschieden, doch uiterlijk binnen twee weken na vaststelling of ontvangst van de informatie. Dit betekent dat bedrijven en particulieren zich ervan bewust moeten zijn dat informatie die zij verstrekken aan de overheid op zeer korte termijn openbaar kan worden. Nieuw onder de Woo is ook dat ontwerpen van besluiten waarover extern advies is gevraagd ook actief openbaar moeten worden gemaakt, inclusief de daarbij behorende adviesaanvraag. Belangrijk te vermelden is dat aan artikel 3.3 van de Woo geen terugwerkende kracht toekomt. Dit betekent dat geen openbaarmakingsplicht geldt ten aanzien van documenten die zijn opgesteld of ontvangen vóór inwerkingtreding van de openbaarmakingsplicht uit de Woo. De specificatie van de actieve openbaarmakingsplicht zou een cultuurverandering bij bestuursorganen met zich moeten brengen. In plaats van op verzoek, zouden bestuursorganen onder de Woo eerder uit zichzelf informatie openbaar moeten maken. Deze informatie moet ook bereikbaar zijn voor een ieder. Op grond van artikel 3.3b Woo dienen alle documenten die onder de actieve openbaarmakingsplicht vallen via een digitaal platform (PLOOI) toegankelijk te worden gemaakt. PLOOI is een platform voor open overheidsinformatie, waar alle overheidsinformatie vindbaar moet zijn. Passieve openbaarmakingsplicht Onder de Woo blijft het mogelijk om bij het bestuursorgaan een verzoek in te dienen om informatie openbaar te maken. De Woo kent geen veranderingen ten aanzien van de indieningsvereisten van een verzoek om openbaarmaking. Eenieder kan een verzoek indienen bij een bestuursorgaan om informatie openbaar te maken. Daarbij hoeft de verzoeker geen belang te motiveren waarom hij de informatie wenst te ontvangen. Het verzoek om informatie te openbaren, kan zowel schriftelijk als elektronisch worden ingediend (artikel 4.1, tweede lid, van de Woo). Onder de Woo zijn de procedurele verschillen tussen verzoeken omtrent milieu-informatie en andere informatie opgeheven. De termijn om te reageren op een verzoek om milieu-informatie is nu gelijk aan de termijn voor een ander informatieverzoek (vier weken). Voorts dient het bestuursorgaan onder de Woo bij ieder openbaarmakingsverzoek informatie te verstrekken over de wijze waarop de informatie tot is gekomen. Deze verplichting gold onder de Wob uitsluitend voor het verstrekken van bepaalde milieu-informatie. Voor de passieve openbaarmakingsplicht kent de Woo geen overgangsrecht. De regels over de passieve openbaarmakingsplicht treden direct in werking.

25 feb. 2022

Van Wob naar Woo: Inleiding

Op 1 mei 2022 treedt de “Wet open overheid” (Woo) in werking en wordt de “Wet openbaarheid van bestuur” (Wob) ingetrokken. Met inwerkingtreding van de Woo maakt het huidige principe van de Wob “openbaar, tenzij” plaats voor het principe “actief openbaar, tenzij”. Omdat de Woo verschillende vragen oproept in het kader van informatieverschaffing, informeren wij u in aanloop naar de inwerkingtreding van de nieuwe wet in een korte blogreeks over de belangrijkste wijzigingen in de Woo ten opzichte van de Wob. Daarbij gaan wij onder andere in op de passieve en actieve openbaarmakingsplicht en de verhouding van de Woo met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ook komen processuele aspecten van de Woo aan de orde. Doel en reikwijdte van de Woo De Wob had van oorsprong als doel de burger in de gelegenheid te stellen de bestuurlijke besluitvormingsprocessen in het heden en verleden te doorzien. Sinds de inwerkingtreding van de Wob in de jaren ’80 is de maatschappij veranderd en hebben burgers andere behoeftes gekregen met betrekking tot de openbaarheid van informatie. In dat kader is een wetsvoorstel gedaan dat uiteindelijk tot de Woo heeft geleid. De Woo heeft als doel om doel overheden en semi-overheden transparanter te maken om zo het belang van openbaarheid van publieke informatie beter te dienen. De reikwijdte van de Woo ten opzichte van de Wob is uitgebreid. Uit de algemene toepasselijkheidsbepaling blijkt dat naast bestuursorganen ook verschillende andere overheidsorganen in het kader van de Woo rechten en plichten hebben gekregen (artikel 2.2). Voor toepassing van de Woo zijn die overheidsorganen gelijkgesteld met bestuursorganen (artikel 2.2, tweede lid). Dit betekent dat beslissingen van deze overheidsorganen ook besluiten zijn in de zin van de Awb waartegen bestuursrechtelijk kan worden opgekomen. Zorgplicht Net zoals onder de Wob (artikel 2) hebben bestuursorganen onder de Woo (artikel 2.4, tweede lid) een zorgplicht om actuele, nauwkeurige en vergelijkbare informatie te verstrekken. Daarbij is niet nieuw dat deze zorgplicht geen onderzoeksplicht of bewerkingsplicht omvat. Het bestuursorgaan hoeft niet in te staan voor juiste en volledige informatie (artikel 2.4, vierde lid). Ten opzichte van de Wob is wel toegevoegd dat bestuursorganen verplicht zijn om naar beste weten te handelen en een meldingsplicht hebben wanneer ze weten dat de informatie onjuist of onvolledig is (artikel 2.4, vijfde lid). Daarbij is nu ook expliciet bepaald dat bestuursorganen ervoor dienen te zorgen dat documenten in goede, geordende en toegankelijke staat behouden blijven (artikel 2.4, eerste lid). De zorgplicht van bestuursorganen voor informatieverschaffing is in de Woo breder geworden en verder aangescherpt. Dit is een positieve ontwikkeling. Actieve openbaarmakingsplicht Ten opzichte van de Wob is de actieve openbaarmakingsplicht voor bestuursorganen uitgebreid. Naast een inspanningsverplichting voor bestuursorganen om actief zoveel mogelijk informatie uit eigen beweging openbaar te maken (artikel 3.1), worden categorieën van informatie opgesomd die in ieder geval openbaar moeten worden gemaakt (artikel 3.3). Deze categorieën kunnen nog worden aangevuld (artikel 3.3, derde lid). Voor bepaalde documenten geldt een ongeclausuleerde openbaarmaking. Denk hierbij bijvoorbeeld aan algemeen verbindende voorschriften, zoals een bestemmingsplan of een huisvestingsverordening (artikel 3.1, eerste lid). Daarnaast zijn een serie van documenten aangewezen waarvoor in beginsel geldt dat ze actief openbaar dienen te worden gemaakt, maar waar een weigeringsgrond aan (een deel van) de openbaarmaking in de weg kan staan (artikel 3.1, tweede lid). Denk hierbij bijvoorbeeld aan de vergaderstukken van de Tweede Kamer (sub b) of beslissingen over uitgaven hoger dan € 250.000,-- (sub h). Voor deze stukken geldt dat bekeken moet worden of een absolute of relatieve weigeringsgrond aan openbaarmaking in de weg staat. Daarbij staat voorop dat het belang van openbaarheid (artikel 2.5) altijd geldt en dat alleen in uitzonderingsgevallen een bijzonder belang prevaleert. Dit is dezelfde systematiek zoals die thans onder de Wob geldt. De ontwikkelde jurisprudentie in dit verband behoudt dan ook zijn betekenis. In de volgende blogs wordt nader ingegaan op de actieve en passieve openbaarmakingsplicht en de verschillende weigeringsgronden. Indien u nader geïnformeerd wilt worden over de Wet open overheid kunt u contact opnemen met een van onze advocaten, Marnix Wolf (wolf@rassers.nl, 076-5 136 127), Elke Wouters (wouters@rassers.nl, 076-5 136 175), Isabel Wetzels (wetzels@rassers.nl, 076-5 136 191) en Lieke Prinsen (prinsen@rassers.nl, 076-5 136 121).

27 dec. 2021

De Hoge Raad spreekt: horecasluiting als gevolg van Corona geen gebrek, wel onvoorziene omstandigheid

Op 24 december 2021 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2021:1974) de prejudiciële vragen van de kantonrechter te Roermond beantwoord.

9 dec. 2021

Het aanvragen van een omgevingsvergunning onder de Omgevingswet

Voorbereidingsprocedures - Beslistermijnen - Inwerkingtreding De inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 juli 2022 gaat gepaard met een aantal procedurele veranderingen. In deze blog wordt uiteengezet met welke procedurele veranderingen men rekening moet houden bij het aanvragen van een omgevingsvergunning. Welke voorbereidingsprocedure is van toepassing? Welke beslistermijnen gelden er en wanneer treedt een omgevingsvergunning in werking? Hieronder wordt een antwoord gegeven op deze vragen en worden op hoofdlijnen enkele procedurele veranderingen uiteengezet. Welke voorbereidingsprocedure is van toepassing? De hoofdregel is dat op een aanvraag om een omgevingsvergunning de reguliere procedure van toepassing is (artikel 16.62 van de Omgevingswet). De uitgebreide voorbereidingsprocedure is van toepassing in vier gevallen: - Als het gaat om een omgevingsvergunning waarvoor een milieueffectrapport moet worden gemaakt (artikel 16.50 van de Omgevingswet). In welke gevallen voor een omgevingsvergunning een milieueffectrapport verplicht is, staat aangegeven in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. - Wanneer dat bij AMvB is bepaald (artikel 16.65, eerste lid, sub a, van de Omgevingswet). Dit is onder meer het geval bij activiteiten met belangrijke gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Zo is bijvoorbeeld op een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een rijksmonument met een adviesverplichting de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing (artikel 10.24, eerste lid, sub a, van het Omgevingsbesluit). - Op verzoek of met instemming van de aanvrager (artikel 16.65, eerste lid, sub b, van de Omgevingswet). - Daarnaast kan de uitgebreide voorbereidingsprocedure door het bevoegd gezag van toepassing worden verklaard op de aanvraag om een omgevingsvergunning in afwijking van het Omgevingsplan die (mogelijk) aanzienlijke gevolgen heeft voor de fysieke leefomgeving of waartegen naar verwachting verschillende belanghebbenden bedenkingen zullen hebben (artikel 16.65, vierde lid, van de Omgevingswet). Voordat deze procedure van toepassing wordt verklaard, dient de aanvrager in de gelegenheid te worden gesteld hierover een zienswijze in te dienen (artikel 16.65, vijfde lid, van de Omgevingswet). Welke voorbereidingsprocedure moet worden gevolgd is onder de Omgevingswet dus niet meer afhankelijk van de soort activiteit waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Het bevoegd gezag heeft straks de bevoegdheid om in bepaalde gevallen de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing te verklaren. Omdat de uitgebreide voorbereidingsprocedure voor grote procedurele verschillen zorgt ten opzichte van de reguliere procedure, is het verstandig om hier op voorhand op bedacht te zijn. Hieronder worden enkele kenmerken van de reguliere en de uitgebreide voorbereidingsprocedure toegelicht. Reguliere voorbereidingsprocedure De beslistermijn bij de reguliere voorbereidingsprocedure bedraagt acht weken. In sommige gevallen is op het verlenen van een omgevingsvergunning een adviesrecht van toepassing (artikel 16.15 van de Omgevingswet). Dit heeft geen invloed op beslistermijn. Indien voor het verlenen van de betreffende omgevingsvergunning vereist is dat het adviesorgaan instemt met vergunningverlening (artikel 16.16 van de Omgevingswet) dan heeft dit wel invloed. De beslistermijn bedraagt in dat geval twaalf weken (artikel 16.64, eerste lid, van de Omgevingswet). Daarnaast kan de beslistermijn eenmalig worden verlengd met 6 weken (artikel 16.64, tweede lid, van de Omgevingswet). Een omgevingsvergunning voorbereid met de reguliere procedure treedt in werking de dag nadat deze bekend is gemaakt (artikel 16.79, eerste lid, sub a, van de Omgevingswet). Uitgebreide voorbereidingsprocedure Wanneer de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, dient binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een besluit te zijn genomen (artikel 3:18 van de Awb). Deze termijn kan met zes weken worden verlengd wanneer het gaat om een zeer ingewikkeld of omstreden onderwerp (artikel 16.66, derde lid, van de Omgevingswet jo. artikel 3:18, tweede lid, van de Algemene Wet bestuursrecht). Wanneer een adviesrecht of instemmingsrecht van toepassing is op de aanvraag om een omgevingsvergunning voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure, heeft dit geen invloed op de beslistermijnen. Een omgevingsvergunning voorbereid met de uitgebreide procedure treedt in werking de dag nadat deze ter inzage is gelegd (artikel 16.79, eerste lid, sub b, van de Omgevingswet). Wanneer een aanvraag wordt voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure neemt het verkrijgen van de omgevingsvergunning veel meer tijd in beslag dan bij de reguliere procedure het geval is. Dit kan onwenselijk zijn. De situatie kan zich voordoen waarbij op een bepaalde aanvraag onder het huidige stelsel de reguliere procedure van toepassing is, maar straks onder de Omgevingswet op een soortgelijke aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing wordt verklaard. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een omgevingsvergunning voor de realisatie van een nieuw appartementencomplex dat past binnen de ter plaatse geldende planologische regelgeving, maar waartegen waarschijnlijk veel omwonenden zullen opkomen. Om die reden kan het in sommige gevallen verstandig zijn om nog vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning aan te vragen.

9 nov. 2021

Handvatten voor de hoogte van de drempel bij normaal maatschappelijk risico

Op 3 november 2021 heeft de ABRvS een relevante uitspraak voor de planschadepraktijk gedaan (ECLI:NL:RVS:2021:2402). Voortbouwend op de overzichtsuitspraak van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) geeft de ABRvS in deze uitspraak een overzicht op hoofdlijnen over de toepassing van het normale maatschappelijke risico, en geeft zij nadere handvatten voor het bepalen van de hoogte van de ´drempel´ (het bedrag dat voor rekening van de aanvrager blijft).