Stijging staal- en houtprijzen anno 2021. Wie betaalt de rekening?

Meestal wordt een aannemingsovereenkomst aangegaan voor een vaste prijs. Het kan gebeuren dat ná het sluiten van de overeenkomst de prijzen van bouwmaterialen explosief stijgen, zoals momenteel met de staal- en houtprijs gebeurt. Ondanks het feit dat meestal een vaste prijs wordt afgesproken, kan de rekening in sommige gevallen toch gedeeld worden. De vraag is dan wie de rekening betaalt; de opdrachtgever, de aannemer of de onderaannemer/leverancier?

De UAV en de wet

De huidige staal- en houtprijsstijging is een kostenverhogende omstandigheid. In de UAV en de wet is opgenomen dat de (onder)aannemer aanspraak kan maken op bijbetaling, indien sprake is van kostenverhogende omstandigheden die:

  • van dien aard zijn dat hiermee bij het tot stand komen van de overeenkomst geen rekening behoefde te worden gehouden;
  • de aannemer niet kunnen worden toegerekend; en
  • de kosten van het werk aanzienlijk verhogen.

Wanneer de prijsstijging al is ingezet, kan maar een betrekkelijk korte periode een beroep op verrekening worden gedaan. Zodra bekend is dat de prijzen stijgen, is de prijsstijging namelijk niet meer onvoorzien en moeten partijen met de stijging rekening houden.

Ondernemersrisico

Bij de vraag of de leverancier recht heeft op verrekening van de prijsstijging is het ondernemersrisico van de staal- of houtleverancier van belang. Het ondernemersrisico van de leverancier ligt tussen de 10-20% (van de stijging van de bouwstofprijs). De exacte hoogte is afhankelijk van de deskundigheid van de leverancier. Hoe deskundiger de leverancier, hoe beter hij een bepaalde mate van prijsstijgingen in staal en hout kan voorzien. Dat is het ondernemersrisico. Concreet betekent dit dat bij een deskundige leverancier het meerdere (boven 20%) vergoed dient te worden door de hoofdaannemer.

Aanzienlijke verhoging

De leverancier krijgt het meerdere slechts vergoed indien de prijsstijging van de bouwstof de kosten van het werk aanzienlijk verhogen. Het gaat hier dus niet om een stijging van de staal- en houtprijs, maar om een stijging van de (onder)aanneemsom. De Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen hanteert als vuistregel dat een stijging van 5% aanzienlijk is. Dus als de onderaanneemsom ‘slechts’ 4% stijgt is er geen sprake van recht op verrekening op basis van een kostenverhogende omstandigheid, ook al is de bouwstofprijs met meer dan 20% gestegen.

Doorbelasting aan opdrachtgever?

Een prijsstijging van een bouwstof (van bijvoorbeeld 30%) kan dus leiden tot een aanzienlijke kostenverhoging in de onderaanneemsom. Voordat een hoofdaannemer deze kosten kan doorberekenen aan zijn opdrachtgever moet de hoofdaanneemsom ook met 5% zijn gestegen. Dit gebeurt in de praktijk vrijwel nooit. De financiële impact op de totale hoofdaanneemsom overstijgt de 5% vaak niet. De aanneemsom van de onderaannemer is immers aanzienlijk lager dan de hoofdaanneemsom. Hierdoor komt regelmatig voor dat een onderaannemer wél een beroep op verrekening door een kostenverhogende omstandigheid toekomt op de hoofdaannemer, maar een hoofdaannemer niet op de opdrachtgever.

Lessons to be learned

Het recht op verrekening van kostenverhogende omstandigheden kan in de overeenkomst worden uitgesloten. Ook kunnen partijen in de onderaannemingsovereenkomst afspreken dat een prijsverhoging van – bijvoorbeeld – 30% geen kostenverhogende omstandigheid in de zin van de wet en de UAV oplevert. Hierdoor kan – ook in het geval van een prijsvastbeding – geen recht op verrekening bestaan, ondanks hevige schommelingen in de bouwstofmarkt.

Wij helpen u graag met het checken of uw contract bestand is tegen onvoorziene prijsstijgingen van bouwstoffen. Neem contact op met de advocaten van de sectie Bouwrecht op telefoonnummer 076-5136136.

Pelle Verkooijen
Pelle Verkooijen

Pelle Verkooijen

Advocaat

“Door tactisch optreden het verschil maken voor mijn cliënten.”

Categorieën