Geschil over verwijdering leerling met syndroom van Down van regulier basisonderwijs.

Feiten

De leerling heeft het syndroom van Down en heeft een neurologische spraak- en taalontwikkelingsstoornis. De leerling volgt gedurende vier jaar onderwijs in groep 1-2, aanvankelijk één dag per week, daarna twee dagen per week, en uiteindelijk volledig. Gedurende het derde jaar kon zij door externe behandelingen helemaal niet naar school. Daarna ging zij weer terug naar school, wederom naar groep 1-2, waar zij wederom één op één begeleiding kreeg.

Ondanks deze intensieve ondersteuning laat de leerling in de groep onvoldoende ontwikkeling zien én vindt onvoldoende aansluiting bij haar klasgenoten plaats.

De school vindt een school voor speciaal onderwijs bereid om de leerling toe te laten. De daarvoor vereiste toelaatbaarheidsverklaring (“tlv”) is toegekend. Vervolgens heeft de school aan de ouders van de leerling medegedeeld dat zij hun dochter definitief zal verwijderen.

 

Standpunt moeder

De moeder van de leerling meent dat de school niet mag overgaan tot verwijdering gedurende het schooljaar en dient hierover een klacht in bij het GPO. Moeder stelt zich op het standpunt dat haar dochter baat heeft bij een reguliere onderwijssetting en dat dat gezien de leerbaarheid van haar dochter het meest passend is. Daarnaast meent moeder dat de school expertise had kunnen inschakelen, bijvoorbeeld van een onderwijsbureau dat deskundig is op het gebied van kinderen met het syndroom van Down. De school zou ook op grond van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) doeltreffendere aanpassingen dienen te verrichten voor haar dochter.

De verwijdering van haar dochter zou niet in overeenstemming zijn met artikel 24 VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (‘VRPH’) dat erop is gericht om inclusief onderwijs mogelijk te maken.

 

Standpunt school

De school heeft er alles aan gedaan om de leerling goed te begeleiden en ondersteunen: de leerling kreeg veel één-op-één-begeleiding van een zorgstudent, buiten de klas. Daarnaast kreeg zij begeleiding vanuit de zorgorganisatie, twee tot drie keer per week. De school maakte gebruik van de methode leespraat voor de leerling en de teach methode. Op grond van deze methode werden de werkjes van de leerling over drie mandjes verdeeld ter structurering. Voorts hebben de leerkracht, de intern begeleider en de begeleider passend onderwijs een cursus gevolgd voor het omgaan met kinderen met Syndroom van Down.

In de één-op-één-situatie was de leerling leerbaar. Echter, de noodzakelijke transfer van het geleerde van de één-op-één-situatie naar het werken in de klas bleef uit. In de klas zag de school niets van het geleerde terug. De leerling pakte in de klas veelvuldig stokjes waarmee ze in haar handen ‘fladderde’. Zij keerde dan in zichzelf. De leerling trok zich steeds minder op aan andere leerlingen en zij kreeg een steeds meer geïsoleerde positie. Dit kwam ook door het toenemende leeftijdsverschil met haar klasgenootjes. In de omgang met andere leerlingen kon zij door onbeholpen gedrag, mede door haar motorische beperkingen, botsen met andere leerlingen (bijvoorbeeld elleboogstoot, te hard knuffelen). De gestelde doelen werden niet behaald. De school heeft dan ook moeten concluderen dat er ondanks alle inspanningen nauwelijks vooruitgang is geboekt. Vanwege haar leeftijd zou de leerling moeten doorstromen naar groep 3. Zij was echter niet in staat om zich in die klas te handhaven, ook niet met extra begeleiding. Daarom heeft verweerder besloten om tot verwijdering van de leerling wegens handelingsverlegenheid over te gaan.

 

Oordeel GPO

Naar het oordeel van de GPO overstijgt de ondersteuningsbehoefte van de leerling inmiddels de mogelijkheden van de school en is de door de moeder verlangde ondersteuning van de school onevenredig belastend geworden.

Van de school kan niet langer verwacht worden nog intensievere begeleiding te bieden. De school heeft voldaan aan haar zorgplicht. De gelijkebehandelingswetgeving biedt geen onbegrensd recht op regulier basisonderwijs. Artikel 24 van het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VRPH) levert geen onmiddellijk en afdwingbaar recht op van burgers jegens een schoolbestuur. De verwijderingsbeslissing is redelijk.

 

De volledige uitspraak kunt u hier nalezen: https://onderwijsgeschillen.nl/sites/default/files/108603%20advies%20anoniem.pdf

Mocht u vragen hebben over het bovenstaande of over andere vraagstukken met betrekking tot onderwijsrecht, neem dan contact op met Mischa Mackaaij, via mackaaij@rassers.nl , of met één van de andere advocaten van de branchegroep onderwijsrecht. Het algemene nummer van ons kantoor is 076- 51 36 136.

Mischa Mackaaij
Mischa Mackaaij

Mischa Mackaaij

Advocaat

“De juridische praktijk is vaak complex. Maar de essentie is simpel: je wilt een rechtvaardige oplossing waarmee de belangen van de cliënt het beste gediend zijn.”

Categorieën