Blog 4: Evenementen en rechtsmiddelen

In blog 1 zijn wij ingegaan op de verankering van evenementen in bestemmingsplannen. In blog 2 hebben wij uiteengezet wanneer een evenementenvergunning is vereist. Blog 3 ging over de omgevingsvergunning. In dit blog staat centraal de vraag welke rechtsmiddelen tegen deze besluiten aangewend kunnen worden.

Het bestemmingsplan

Omwonenden of bedrijven die bevreesd  zijn voor evenementen in hun omgeving, doen er goed aan om reeds bij de vaststelling van een bestemmingsplan alert te zijn op het gebruik dat in het bestemmingsplan ten aanzien van evenementen wordt toegestaan. Organisatoren van evenementen doen er juist goed aan om reeds bij de vaststelling van een bestemmingsplan hun plannen kenbaar te maken over het houden van evenementen op bepaalde locaties. Dit geldt zeker als organisatoren voornemens zijn om op een bepaalde locatie vaker evenementen te organiseren. Het bestemmingsplan zal immers vaak het eerst aangewezen besluit zijn om te betogen dat een locatie al dan niet geschikt is voor het houden van evenementen. Discussies over onder meer de aard, omvang, intensiteit en begin- en eindtijden van evenementen dienen namelijk primair te worden gevoerd in de procedure over het bestemmingsplan.

Een bestemmingsplan dat aan bepaalde gronden een bestemming geeft, die het mogelijk maakt om deze gronden te gebruiken ten behoeve van evenementen, moet de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) beschreven procedure doorlopen. Die procedure vangt aan met de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan. Gemeenten kiezen er vaak voor om eerst nog een voorontwerpbestemmingsplan ter inzage te leggen, waarop inspraak mogelijk is, maar dit geschiedt meestal op basis van een inspraakverordening. De Wro schrijft dit niet voor. Op grond van de Wro dient van de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan kennis te worden gegeven in de Staatscourant (artikel 3.8, eerste lid, onder a, van de Wro) en in een of meer dag-, nieuws-, of huis-aan-huisbladen (artikel 3:12 Awb). Het ontwerpbestemmingsplan ligt vervolgens gedurende 6 weken ter inzage, binnen welke termijn een ieder zienswijzen bij de gemeenteraad kenbaar kan maken. De Wro bepaalt dat de gemeenteraad vervolgens binnen 12 weken een besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan neemt (artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro). Bekendmaking geschiedt op eenzelfde wijze als het ontwerpbestemmingsplan. Het vastgestelde bestemmingsplan moet vervolgens opnieuw gedurende 6 weken ter inzage worden gelegd, binnen welke termijn belanghebbenden beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) kunnen instellen. Indien gedurende de termijn van terinzagelegging tevens een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingediend bij de voorzitter van de ABRvS, treedt het plan niet in werking totdat de voorzitter op dit verzoek heeft beslist. Wijst de voorzitter het verzoek toe, dan treedt het plan niet in werking totdat de ABRvS in de hoofdzaak uitspraak heeft gedaan. Als de ABRvS het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan vernietigt, treedt het plan in het geheel niet in werking. In dat geval kunnen op grond van dit bestemmingsplan geen (omgevings- en/of evenementen)vergunningen worden verleend.

De evenementenvergunning
Elke Wouters
Elke Wouters

Elke Wouters

Advocaat

“De cultuur bij Rassers is praktisch en doelgericht. Wij zijn gefocust op een tevreden cliënt. Daar doen we alles voor.”

De evenementenvergunning wordt verleend volgens de in de APV beschreven procedure. Artikel 1:2 van de model APV bepaalt dat op een aanvraag voor een evenementenvergunning wordt beslist binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. Dat wordt op grond van artikel 4:17 Awb een 'redelijke termijn' geacht te zijn. Deze beslistermijn kan voor ten hoogste 8 weken worden verdaagd. Artikel 1:8, tweede lid, van de model APV bepaalt dat indien een aanvraag om vergunning wordt ingediend minder dan 3 weken vóór het tijdstip waarop de vergunning is benodigd en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is, het bevoegd gezag de vergunning kan weigeren.

Tegen een verleende evenementenvergunning kan binnen 6 weken na bekendmaking bezwaar worden gemaakt bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag voor evenementenvergunningen is de burgemeester. Bekendmaking geschiedt door toezending van de vergunning aan de aanvrager. De model APV vermeldt verder niets over publieke bekendmaking van evenementenvergunningen, maar veel gemeenten kiezen er voor om aanvragen en verleende vergunningen te publiceren op hun website.

Omdat een bezwaarprocedure op grond van artikel 7:10 van de Awb binnen 6 weken (of indien een externe adviescommissie wordt ingeschakeld binnen 12 weken), en met verdaging met nog eens zes weken, binnen 12 (of 18) weken moet worden afgerond, en deze termijnen in de praktijk vaak niet eens worden gehaald, is de kans groot dat het aangevochten evenement reeds heeft plaatsgevonden voordat de beslissing op bezwaar bekend wordt gemaakt. Om te voorkomen dat een bezwaar zinledig is, kan tegelijk met het bezwaar een verzoek om voorlopige voorziening worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de bevoegde rechtbank. Gevraagd moet dan worden om de vergunning te schorsen. Wordt een degelijk verzoek toegewezen, dan kan het evenement op basis van de verleende vergunning geen doorgang vinden. Tegen een uitspraak in een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de beslissing op bezwaar kan -binnen 6 weken na bekendmaking- beroep bij de rechtbank worden ingesteld. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep bij de ABRvS worden ingesteld. In deze procedures zal vaak wel het procesbelang van eiser/appellant ter discussie staan, omdat het evenement in de regel al zal hebben plaatsgevonden. De vraag is dan immers welk belang eiser/appellant nog heeft bij de behandeling van zijn (hoger) beroep, nu de vergunning is gebruikt en uitgewerkt (vgl. ABRvS 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4933). Indien het om een terugkerend evenement gaat, zal het belang doorgaans wel aanwezig worden geacht, omdat de bezwaren bij toekomstige vergunningverlening onverkort van toepassing zullen zijn (vgl. ABRvS 24 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU1396). Belang bij de inhoudelijke beoordeling van het (hoger) beroep zal ook bestaan indien eiser/appellant schade heeft geleden als gevolg van het evenement.

De omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning kan worden verleend met toepassing van verschillende procedures. Dat is afhankelijk van de vraag of al dan niet afgeweken dient te worden van de regels van het bestemmingsplan. Indien de omgevingsvergunning wordt verleend zonder afwijking van het bestemmingsplan dan wel met toepassing van de kruimelgevallenregeling (artikel 4, Bijlage II Bor), dan is de reguliere procedure op grond van paragraaf 3.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing. In dat geval dient de vergunning binnen 8 weken te worden verleend, en ontstaat na ommekomst van deze termijn een vergunning van rechtswege. Tegen een verleende omgevingsvergunning kan binnen 6 weken na bekendmaking bezwaar worden gemaakt bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen is het college van burgemeester en wethouders. Bekendmaking geschiedt door toezending van de vergunning aan de aanvrager. De Wabo bepaalt evenwel in de artikelen 3.8 en 3.9 dat bekendmaking tevens dient plaats te vinden door publicatie in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.

Voor de bezwaarprocedure tegen de omgevingsvergunning bestaan dezelfde belemmeringen c.q. beperkingen als voor de bezwaarprocedure tegen de evenementenvergunning. Om te voorkomen dat een bezwaar zinledig is, kan tegelijk met het bezwaar een verzoek om voorlopige voorziening worden ingediend bij de voorzieningenrechter van de bevoegde rechtbank. Tegen de beslissing op bezwaar kan net als bij de evenementenvergunning beroep bij de rechtbank worden ingesteld. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep bij de ABRvS worden ingesteld. Ook tijdens deze (hoger)beroepsprocedures kan telkens een voorlopige voorziening aan de voorzieningenrechter dan wel de voorzitter van de ABRvS worden gevraagd, mits een spoedeisend belang aanwezig is. Een spoedeisend belang zal steeds aanwezig zijn, indien het aangevochten evenement nog moet plaatsvinden.

Op het moment dat in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning wordt verleend, is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing (paragraaf 3.3 van de Wabo). In dat geval dient het bevoegd gezag binnen zes maanden op de aanvraag te beslissen (artikel 3:12 van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 3:18 van de Awb). Tegen het besluit staat direct beroep bij de rechtbank open en vervolgens hoger beroep bij de ABRvS.

Zowel voor de organisator van een evenement als voor omwonenden is het van belang dat de vereiste vergunningen tijdig worden aangevraagd en verleend. Voor de organisator is dit van belang, zodat eventuele onvolkomenheden in de vergunningen nog tijdig vóór het evenement kunnen worden hersteld. Daarnaast zal de organisator willen voorkomen dat hij op de dag van het evenement nog bij de voorzieningenrechter zit en onzeker is of het evenement doorgang kan vinden. Voor omwonenden is dit van belang, zodat zij tijdig rechtsmaatregelen kunnen nemen tegen onwelgevallige vergunningen. Niet voor niets zegt de model APV dat vergunningen tijdig moeten worden aangevraagd, maar de genoemde termijn van 3 weken blijkt in de praktijk vrij kort, en van de bevoegdheid om de aanvraag te weigeren wordt niet tot nauwelijks gebruik gemaakt.