Advocaten in Breda met perspectief

Rassers helpt cliënten om het beste uit zichzelf en hun onderneming te halen. Met juridische expertise op topniveau, dicht bij huis. Door advocaten die uw taal spreken en denken in termen van resultaat.

Leer ons kennen
Leer ons kennen

Onze dienstverlening

De advocaten van Rassers adviseren, onderhandelen en procederen voor hun cliënten. Onze focus ligt daarbij op drie thema’s:

Ondernemingsrecht

Ondernemingsrecht

We helpen ondernemers om succesvolle keuzes te maken en risico’s te managen op het gebied van overnames, geschillen, contracten en financiële problemen.

 

Arbeidsrecht

Arbeidsrecht

Helder, up-to-date en oplossingsgericht advies over ontslag, concurrentie- en relatiebedingen, arbeidsongeschiktheid en pensioen.

Bouwrecht en Bestuursrecht

Bouwrecht en Bestuursrecht

Onze advocaten loodsen cliënten langs obstakels en risico’s op het gebied van onder meer aanbestedingen, contracten en geschillen, ook met de overheid.

Expertteams

Expertteams

Dwars door deze drie pijlers heen hebben we expertteams samengesteld op het terrein van IT & privacy en cassatie.

 

Agenda

Bijblijven met regelgeving en de praktische consequenties ervan doorzien, kan veel problemen voorkomen. Met onze lezingen en workshops maken we het u gemakkelijk.

14 dec. 2021

HR-ontbijt webinar

online

28 sep. 2022 29 sep. 2022

Aanmeldformulier Whk-check

Breda

15 nov. 2022 17 nov. 2022

HR ontbijt

Hotel Breda Princeville, Princenhagelaan 5, 4813 DA Breda

Nieuws en achtergronden

Relevante ontwikkelingen in ons vakgebied, de mogelijke consequenties voor u, en het laatste nieuws over het Rassers-team en onze dienstverlening.

1 dec. 2022

Algemene voorwaarden niet ter hand gesteld maar toch van toepassing?

Recent heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of de door een gebruiker gehanteerde algemene voorwaarden toch van toepassing zijn ook al zijn deze voorwaarden niet aan de wederpartij ter hand gesteld. Wat was hier aan de hand? Het geschil ging over twee contracten uit 2014 waarop de CNDG (Conditiën van de Nederlandse Handel in Granen en Diervoedergrondstoffen) van toepassing waren verklaard. In deze voorwaarden is een arbitraal beding opgenomen. Tussen partijen is een conflict ontstaan waarna de koper een gerechtelijke procedure is gestart. De verkoper, zijnde de gebruiker van de algemene voorwaarden, heeft in die procedure een beroep gedaan op het arbitraal beding en gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zou verklaren. De koper heeft daarna de vernietiging van dit beding ingeroepen omdat de algemene voorwaarden niet op de juiste wijze ter hand zouden zijn gesteld. Wat zijn de regels? Als gebruiker van algemene voorwaarden dien je op de volgende twee zaken te letten: Allereest moeten de algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing te zijn verklaard. Daarnaast moet je de wederpartij voor of uiterlijk bij het sluiten van de overeenkomst in de gelegenheid stellen om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Wanneer je dit niet doet kan de wederpartij de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden vernietigen. De hoofdregel is daarbij dat de algemene voorwaarden aan de wederpartij ter hand gesteld moeten worden, bijvoorbeeld als bijlage bij de overeenkomst. Er zijn echter ook situaties denkbaar waarbij de algemene voorwaarden niet ter hand gesteld hoeven te worden of waarbij een wederpartij geen beroep kan doen op de vernietiging van de algemene voorwaarden. Dit is het geval wanneer terhandstelling redelijkerwijs niet mogelijk is, wanneer er sprake is van professionele partijen die regelmatig met elkaar zakendoen (de zogenaamde bestendige handelsrelatie), of wanneer beide partijen gebruik maken van dezelfde (branche)voorwaarden. Is de gebruiker een dienstverlener dan bepaalt de wet dat verwijzing naar de vindplaats van de algemene voorwaarden op een website of het ter inzage leggen van de voorwaarden op de plaats waar de dienst wordt verricht ook voldoende is. Grote, professionele partijen kunnen overigens geen beroep doen op vernietiging van de algemene voorwaarden wegens het niet ter hand stellen. Het oordeel van de rechter Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in hoger beroep vastgesteld dat de CNGD weliswaar op de overeenkomsten van toepassing waren verklaard maar dat deze niet aan de koper ter hand zijn gesteld en haar ook anderszins niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden van de algemene voorwaarden kennis te nemen, een en ander als bedoeld in art. 6:234 lid 1 BW. Het Hof oordeelde echter dat de koper, in de hoedanigheid van de directeur, op het moment van het sluiten van de overeenkomsten bekend was, althans bekend mocht worden geacht, met de inhoud van de CNGD omdat hij in 2012/2013 een cursus had gevolgd waarin de inhoud van de CNGD uitgebreid behandeld was. Volgens het Hof kon de kennis van de directeur dan ook aan de koper worden toegerekend. Omdat deze koper ermee bekend was dat de CNGD van toepassing waren verklaard en de koper ook over deze voorwaarden beschikte (deze zaten bij het studiemateriaal van de cursus) kon de koper het arbitraal beding niet succesvol vernietigen. De Hoge Raad heeft in het arrest ECLI:NL:HR:2022:1599 dit oordeel bevestigd en aangegeven dat een wederpartij de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden niet kan vernietigen wanneer hij op het moment van het sluiten van de overeenkomst bekend was, of bekend kon worden geacht met de inhoud van de algemene voorwaarden. Dit wordt door de Hoge Raad de bekendheidsuitzondering genoemd. Deze uitzondering houdt in dat wanneer de wederpartij bekend is of geacht kan worden bekend te zijn met de algemene voorwaarden van de gebruiker of een daarin voorkomend beding, recht wordt gedaan aan de strekking van art. 6:234 BW. Dit wordt volgens de Hoge Raad niet anders wanneer de bekendheid van de wederpartij met de algemene voorwaarden of een daarin voorkomend beding, niet door toedoen van de gebruiker maar op andere wijze is ontstaan, zoals in dit geval via een door de directeur gevolgde cursus.

22 nov. 2022

Wel of geen bouwstop voor bestaande en nieuwe projecten door Porthos-uitspraak

Op 2 november 2022 oordeelde de Raad van State in de zogenoemde “Porthos”-uitspraak dat de bouwvrijstelling van de natuurvergunningplicht voor wat betreft stikstof buiten toepassing moet worden gelaten. Achtergrond bouwvrijstelling Op grond van artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb) is voor projecten, die een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaken, een natuurvergunning nodig. Om te voorkomen dat projecten geen doorgang konden vinden, is sinds 1 juli 2021 een bouwvrijstelling opgenomen in artikel 2.9a van de Wb en artikel 2.5 van het Besluit natuurbescherming (Bnb). Projecten konden zodoende met toepassing van deze bouwvrijstelling toch doorgang vinden, ondanks dat sprake was van stikstofdepositie in de bouwfase. Uitspraak van de Raad van State De Raad van State maakt in haar uitspraak korte metten met de bouwvrijstelling. Zij oordeelt onder meer dat de generieke beoordeling die aan de bouwvrijstelling ten grondslag ligt, niet aantoont dat het pakket aan maatregelen waarmee de bouwvrijstelling is onderbouwd voldoende robuust en effectief is. De verhouding tussen de stikstofreductie als gevolg van de maatregelen op Natura 2000-gebieden in relatie tot de stikstofdepositie als gevolg van activiteiten in de bouwfase is onvoldoende concreet komen vast te staan. De gevolgen van de Porthos-uitspraak voor de praktijk Over de gevolgen van de uitspraak van de Raad van State is reeds veel gezegd en geschreven. Hierbij kan globaal een onderscheid worden gemaakt tussen reeds vergunde situaties en nieuwe situaties. Vergunde situaties Op het moment dat een bouwactiviteit van een project al is afgerond, zal de Porthos-uitspraak vermoedelijk geen gevolgen hebben. Wel kan de uitspraak gevolgen hebben voor projecten waarvan de bouwactiviteiten nog niet zijn afgerond. In diverse artikelen en blogs wordt gezegd dat de uitspraak voor onherroepelijk vergunde situaties geen gevolgen heeft. Maar is dat wel zo? Gesteld kan immers worden dat de bouwactiviteiten plaatsvinden zonder de daarvoor vereiste toestemming van het bevoegd gezag. Bij stikstofdepositie in de bouwfase is - achteraf bezien - wel degelijk een vergunning voor de bouwfase vereist. Die vergunningplicht zou mogelijk ondervangen kunnen zijn door de verleende vergunning voor de gebruiksfase. Indien de depositie in de bouwfase kleiner is dan de depositie in de gebruiksfase, zou de vergunning voor de gebruiksfase afdoende kunnen zijn. Is de depositie in de bouwfase echter groter dan in de gebruiksfase, dan zal de vergunning voor de gebruiksfase niet afdoende zijn, en zal alsnog toestemming voor de bouwfase verkregen moeten worden. Dat een onherroepelijk vergunning geen zekerheid biedt, volgt ook uit de Logtsebaan-uitspraak van de Raad van State. Vergunningen op grond van de Wnb kunnen onder voorwaarden immers worden ingetrokken. Het antwoord op de vraag of een onherroepelijke vergunning voldoende zekerheid biedt, zal ongetwijfeld snel volgen. MOB heeft blijkbaar een handhavingsverzoek ingediend tegen de verbouwing/renovatie van het Binnenhof. Nieuwe situaties In het kader van lopende en nieuwe vergunningsaanvragen zal de stikstofdepositie voor de bouwfase én de gebruiksfase beoordeeld moeten worden. Dezelfde regels zijn van toepassing als vóór de invoering van de bouwvrijstelling. Stikstofdepositie van een project zal primair met een voortoets moeten worden beoordeeld, en bij gebleken significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden passend moeten worden beoordeeld. Afhankelijk van de uitkomsten van de passende beoordeling is al dan niet een natuurvergunning voor de bouw- en de gebruiksactiviteit van het project benodigd. Conclusie Het vervallen van de bouwvrijstelling kan voor ieder project andere gevolgen hebben. Dit zal met name afhangen van de fase waarin het project zich bevindt. Indien de bouwfase nog niet is afgerond, verdient het aanbeveling om de depositie in deze fase alsnog te beoordelen. Afhankelijk van de uitkomst hiervan kunnen de risico’s vervolgens worden ingeschat. Leidt de bouwfase niet tot depositie, dan kan probleemloos worden doorgebouwd. Dan is immers geen vergunning benodigd. Is wel sprake van depositie, dan zou de vergunning voor de gebruiksfase afdoende kunnen zijn, indien de depositie in de gebruiksfase groter is dan in de bouwfase. Is die vergunning er niet of is die niet afdoende, dan bestaat er risico op handhaving. Handhaving kan mogelijk leiden tot intrekking van reeds verleende vergunningen, of tot stillegging van de bouwwerkzaamheden. Handhaving kan worden voorkomen door concreet zicht op legalisatie. Daarvoor zal in de regel een ontvankelijke aanvraag moeten worden ingediend en aannemelijk moeten zijn dat de vergunning wordt verleend. Mocht u nader geïnformeerd willen worden over dit onderwerp dan kunt u contact opnemen met Marnix Wolf per e-mail (wolf@rassers.nl) of telefonisch 076-5 136 127, of met Elke Wouters per e-mail (wouters@rassers.nl) of telefonisch 076-5 136 175.

10 nov. 2022

Wetsvoorstel ter voorkoming dat iemand erft van degene die hij heeft gedood

Inleiding Recent is door de rechtbank Gelderland een uitspraak gewezen, waaruit volgt dat een man die zijn echtgenote had gedood en tot tbs was veroordeeld toch kon delen in de erfenis van het slachtoffer. De rechtbank heeft hiermee de letter van de wet strikt toegepast, maar deze uitspraak heeft wel geleid tot Kamervragen. Minister Weerwind heeft vandaag aangekondigd duidelijker in de wet te willen opnemen dat mensen geen financieel voordeel mogen halen uit een misdrijf en komt in dit kader met een wetsvoorstel. Uitspraak De uitspraak die heeft geleid tot dit initiatief betreft een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 januari 2022. Uit die zaak blijkt dat de notaris een verklaring van erfrecht had afgegeven, waarin was bepaald dat de man van de overleden echtgenote op grond van artikel 4:3 lid 1 sub a BW van rechtswege ‘onwaardig’ was om te erven uit de nalatenschap van zijn overleden echtgenote. Artikel 4:3 lid 1 sub a BW bepaalt kort gezegd dat hij die onherroepelijk is veroordeeld ter zake dat hij de overledene heeft omgebracht, heeft getracht hem om te brengen, dat feit heeft voorbereid of daaraan heeft deelgenomen, van rechtswege onwaardig is om uit een nalatenschap voordeel te trekken. Dit zou in dit geval betekenen dat de broer van de overledene zou erven. In de procedure die hierop volgde werd eerst vastgesteld dat de strafrechter bewezen had verklaard dat de man zijn echtgenote opzettelijk van het leven heeft beroofd. De man heeft dit ook niet betwist. Hij is evenwel niet strafrechtelijk veroordeeld voor dit strafbare feit. De strafrechter spreekt alleen een veroordeling uit indien hij het te laste gelegde bewezen en strafbaar acht en indien hij de verdachte strafbaar acht. Geoordeeld is dat de man niet strafbaar is, omdat de doodslag hem wegens een ziekelijke stoornis niet kan worden toegerekend. Op grond hiervan is de man ontslagen van alle rechtsvervolging, onder oplegging van de maatregel van tbs. In de procedure stond dus de vraag centraal, of ontslag van alle rechtsvervolging met het opleggen van de maatregel van tbs ook onder het begrip “veroordeling” van artikel 4:3 lid 1 sub a BW valt. De rechtbank meende van niet. De rechtbank gaat niet mee in de stelling dat artikel 4:3 lid 1 sub a BW ruim dient te worden opgevat, onder meer omdat hier (voor dit specifieke geval) in de parlementaire geschiedenis, in de literatuur en in de rechtspraak geen aanknopingspunten voor zijn te vinden. De stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man in de gegeven omstandigheden de rechten uitoefent die hem als erfgenaam toekomen, mocht ook niet baten. De rechtbank kwam op grond hiervan tot het oordeel dat de man niet onwaardig is om te erven van zijn echtgenote die hij om het leven had gebracht. Minister Weerwind Minister Weerwind heeft vandaag laten weten duidelijker in de wet te willen zetten dat mensen geen financieel voordeel mogen halen uit een misdrijf (bron: nos.nl). Dit naar aanleiding van het feit dat Kamerleden Van Nispen (SP) en Ellian (VVD) van mening zijn dat dit indruist tegen het rechtsgevoel en dat dit niet de bedoeling kan zijn. Van Nispen zei hier verder nog over dat de wet op dit punt niet duidelijk is en dat dit kan leiden tot een onwenselijke uitkomst. Ik meen dat de wet hier juist wel duidelijk over is, gelet op het feit dat de wetgever er blijkens de tekst van artikel 4:3 lid 1 BW en blijkens de parlementaire geschiedenis bewust voor heeft gekozen om geen onwaardigheid te laten intreden in het geval dat een strafbaar feit niet aan de dader kan worden toegerekend vanwege een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Bovendien heeft de wetgever de bewuste keuze gemaakt voor een onherroepelijke veroordeling. Dat dit een vereiste is, is bij de totstandkoming van het nieuwe erfrecht in 2003 nogmaals benadrukt. Wel kunnen deze Kamerleden in mijn optiek worden gevolgd in hun stelling dat een en ander indruist tegen het rechtsgevoel. Minister Weerwind zegt in zijn reactie te begrijpen dat erven van iemand die je hebt gedood als onbevredigend en onbegrijpelijk wordt ervaren. De Minister heeft aangekondigd de wet, los van de afloop van deze rechtszaak (er loopt immers nog een hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland), te gaan aanpassen, zodat dit soort gevallen in de toekomst niet meer kunnen voorkomen. In de eerste helft van volgend jaar wil hij een concept klaar hebben voor een wetsvoorstel. Tot slot Heeft u naar aanleiding van dit artikel nog vragen, of heeft u vragen over het erfrecht, neem dan contact met op advocaat Philip Vroegrijk: vroegrijk@rassers.nl / 06-25695963.

22 sep. 2022

Werkgevers opgelet: voorkom onterechte WGA en ZW premieverhogingen en bespaar kosten door een tijdige Whk-check!

Werkgevers opgelet: voorkom onterechte WGA en ZW premieverhogingen en bespaar kosten door een tijdige Whk-check! Met het vallen van de bladeren, valt binnenkort ook de beschikking voor de Werkhervattingskas weer bij alle werkgevers binnen. Neem deze niet voor kennisgeving aan maar controleer hem goed. Dat kan onterechte premieverhogingen voorkomen en veel kosten besparen. Hoe? Dat lees je hier.